Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:23456
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,464 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4963
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: S.J. Versteeg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 31 mei 2023 (het eerste besluit) de verblijfvergunning van eiser ingetrokken en aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Met het bestreden besluit van 16 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Gemachtigden van eiser en verweerder zijn ter zitting zijn verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Bengalese nationaliteit. Eiser had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de beperking studie. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning ingetrokken, omdat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden voor die vergunning. Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort gezegd – het volgende aan. Eiser is verhuisd naar Portugal en is daar bezig met het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor werknemers in dienstverband (een zogenaamde manifestação de interesse). Eiser heeft daarom geen bezwaren meer tegen het intrekken van zijn verblijfsvergunning. Wel is hij het oneens met het opgelegde terugkeerbesluit en de daaruit voortvloeiende SIS-signalering. Eiser verbleef ten tijde van het bestreden besluit namelijk niet meer in Nederland, waardoor verweerder aan hem geen terugkeerbesluit kon opleggen. Eiser heeft in de bezwaarprocedure documenten overlegd die dit aantonen. Niet is gemotiveerd waarom getwijfeld moet worden aan de stelling dat eiser bij het eerste besluit al in Portugal verbleef en daar een formele gedoogstatus heeft. Zo had verweerder contact kunnen opnemen met eisers werkgever waaruit zou blijken dat eiser uitvoering geeft aan zijn arbeidsovereenkomst in Portugal. Verder had verweerder bij de zienswijze moeten vermelden dat hij voornemens is een terugkeerbesluit op te leggen, zodat eiser aanleiding had om te noemen dat hij in Portugal verbleef. Ook heeft verweerder de hoorplicht geschonden door eiser in de bezwaarprocedure niet te horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
6. Verweerder kan op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerichtlijn geen terugkeerbesluit nemen als de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. In dat geval moet verweerder de betreffende vreemdeling eerst verzoeken zich naar het grondgebied van die lidstaat te begeven. Of een vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf moet verweerder beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden die toen bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn. Indien een vreemdeling stelt dat hij of zij in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat of een andere toestemming van verblijf, dan is het aan die vreemdeling om dat aan te tonen. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat in het geval dat verweerder na het nemen van het terugkeerbesluit vaststelt dat de betreffende vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat of een andere toestemming van verblijf, het terugkeerbesluit wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop de vreemdeling dit heeft aangetoond.
6.1.
Uit het Terugkeerhandboek volgt dat het begrip ‘een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf’ zeer ruim is en elke door een lidstaat toegekende status of afgegeven verblijfsvergunning omvat die een recht op legaal verblijf biedt. Verder volgt uit het Terugkeerhandboek dat een onderdaan van een derde land altijd legaal of illegaal op het grondgebied van een andere lidstaat verblijft. Een andere mogelijkheid bestaat niet. Personen die verblijven in een lidstaat waar zij een formele gedoogstatus hebben worden niet als illegaal verblijvend beschouwd op voorwaarde dat deze status volgens het nationale recht als ‘legaal verblijf’ wordt beschouwd.
6.2.
In aanvullende beroepsgronden en ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat de procedure in Portugal voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor werknemers in dienstverband zo werkt dat een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in een andere lidstaat na binnenkomst in Portugal een arbeidscontract kan aangaan. Zodra het arbeidscontract is geformaliseerd kan de vreemdeling zich aanmelden bij de SEF, de Portugese Immigratie- en Grensdienst. Na aanmelding krijgt de betreffende vreemdeling op grond van Portugese wetgeving een pre-verblijfsautorisatie waarmee de vreemdeling legaal kan werken, waarmee identificatienummers worden toegekend voor de belastingen, sociale zekerheid en de nationale gezondheidszorg en waarmee hij of zij zich kan inschrijven bij de gemeente. Vervolgens krijgt de vreemdeling een uitnodiging van de SEF voor de formele indiening van de aanvraag. De aanvraag kan dan nog wel worden afgewezen indien niet aan de voorwaarden is voldaan.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser per 31 januari 2023 is uitgeschreven bij zijn eerdere onderwijsinstelling. Voorts heeft eiser in de bezwaarfase stukken overgelegd waaruit volgt dat hij een arbeidscontract heeft en dat hij beschikt over sociaal- en fiscaal nummer. Ook heeft hij een document overlegd waaruit blijkt dat hij zich heeft ingeschreven bij een gemeente Portugal. Onder deze omstandigheden had verweerder moeten onderzoeken en motiveren of er sprake is van een formele gedoogstatus die gezien moet worden als ‘een andere toestemming tot verblijf’ en die ertoe leidt dat het terugkeerbesluit moet worden ingetrokken. Bovendien is verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan op het door eiser ingediende bewijs van inschrijving in een Portugese gemeente.
6.4.
Gelet op bovenstaande kleeft er een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit en is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op het handhaven van het terugkeerbesluit en de daarop gebaseerde SIS-signalering. Aan de bespreking van de overige beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd, komt de rechtbank niet meer toe.
Conclusie
7. De rechtbank geeft eiser gelijk. Daarmee is het beroep gegrond. De rechtbank bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op een totaal van tot een bedrag van € 1.750,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 875,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 875,- met een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1346.
Uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1963.
Bijlage Terugkeerhandboek bij Aanbeveling (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken (het Terugkeerhandboek), punt 5.4.
Het Terugkeerhandboek, punt 1.2.