Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:10365
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,638 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6401
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Afghanistan, eiser
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 6 juni 2024 (het bestreden besluit) afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit rechtstreeks beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. R. Geraedts.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 25 februari 2024 heeft eiser een verzoek ingediend om hem en zijn gezinsleden vanuit Afghanistan over te brengen naar Nederland. Eiser stelt dat hij heeft gewerkt als onderdeel van de “security protection group” voor de Europese Politiemissie (EUPOL) in Afghanistan. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat eiser niet behoort tot één van de twee groepen waarvoor een speciale voorziening is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 (de Kamerbrief). Eiser heeft zich ook pas ruim na 11 oktober 2021 tot het ministerie van Defensie gewend, zodat hij ook om die reden niet tot de afgebakende groep behoort.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser komt wel voor overbrenging in aanmerking. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat hij niet behoort tot de afgebakende groep mensen die voor de Nederlandse Defensieorganisatie of een Nederlandse functionaris van EUPOL in Afghanistan heeft gewerkt. Er is geen sprake van een afgebakende groep, omdat in oktober 2021 onduidelijkheid was over de omvang van de groep. Ook wordt in de Kamerbrief geen einddatum genoemd. Er wordt in de Kamerbrief wel aangegeven dat de criteria op de “dan bekende data” worden toegepast. Dat is volgens eiser een opdracht aan het ministerie van Defensie om met behulp van de ingekomen berichten de betreffende data(bestanden) na te lopen of zich daarin gegevens bevinden van Afghanen die onder de speciale voorziening vallen. Als eiser hierin voorkomt, moet dat doorslaggevend zijn. Er zouden databestanden zijn met onder andere loonlijsten van werknemers die voor Defensie hebben gewerkt. Vluchtelingenwerk heeft dit bevestigd. Verder blijkt uit verschillende Kamerstukken dat de speciale voorziening ook na 11 oktober 2021 nog openstaat.
3.1.
Daarnaast is het onevenredig om bescherming te weigeren omdat eiser zijn aanvraag gedaan heeft na een willekeurige datum, terwijl de communicatie (in alle chaos) vanuit Nederland naar de Afghaanse betrokkenen ondermaats was en eiser niet op de hoogte was van het bestaan van de Kamerbrief. Ook de toepassing van het beleid is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Het beleid en toetsingskader voor overbrenging van personen uit Afghanistan is neergelegd in de Kamerbrief. In die brief wordt een speciale voorziening getroffen voor twee afgebakende groepen die, naast personen die ten tijde van de acute evacuatiefase al waren opgeroepen, voor overbrenging naar Nederland in aanmerking komen.
4.1.
Het gaat hierbij onder meer om personen (en hun kerngezin) die in de afgelopen twintig jaar hebben gewerkt voor Defensie of EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. Zij moeten kunnen aantonen dat zij ten minste een jaar structureel substantiële werkzaamheden hebben verricht voor Defensie en/of voor een Nederlandse functionaris van EUPOL. Hun identiteit en Afghaanse nationaliteit moet vast te stellen zijn.
In de Kamerbrief staat dat Defensie en Justitie en Veiligheid de criteria zullen toepassen op de nu bij Defensie beschikbare data, waaronder de meldingen van veteranen. Het betreft een afgebakende groep van ongeveer 500 Afghanen (inclusief kerngezinnen).
4.2.
Over dit beleid heeft de Afdeling twee richtinggevende uitspraken gedaan. Geoordeeld is dat het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid, waarbij het kabinet veel beleidsruimte heeft. Het stond het kabinet daarom vrij om vereisten vast te stellen zodat de groepen waarop de begunstiging van toepassing is duidelijk konden worden afgebakend. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Als de minister de overkomst van personen die buiten dit beleid vallen niet faciliteert schendt hij niet hun fundamentele rechten. Ook niet als de Taliban dat mogelijk wel doen. Een beroep op het recht op leven en het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in het EVRM en het IVBPR slaagt niet omdat deze verdragen Nederland niet verplichten tot evacuatie van personen. Het beleid is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
4.3.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat onder de bedoelde afgebakende groep alleen de Afghanen vallen die voor 11 oktober 2021 een verzoek tot overbrenging hebben ingediend bij het ministerie van Defensie. Zoals verweerder eerder in vergelijkbare zaken heeft toegelicht wordt met de “nu bij Defensie beschikbare data”, zoals genoemd in de Kamerbrief, de mailboxen bedoeld waarin de verzoeken om overbrenging zijn binnengekomen en niet of eiser in een mogelijk bij het ministerie van Defensie aanwezig ander databestand is opgenomen (geweest). Dit wordt ondersteund door diezelfde Kamerbrief, waarin onder het kopje “Verdere uitvoering motie-Belhaj” is uiteengezet dat berichten die zijn ontvangen in de speciale mailbox [email-adres] (op een aantal concreet genoemde uitzonderingen na) zijn opgenomen “in de eerder aangekondigde database”. Het kabinet heeft daarbij verwezen naar de Kamerbrief van 14 september 2021 waarin ook is aangegeven dat alle hulpverzoeken die per e-mail zijn ontvangen, zullen worden opgenomen in een database die kan dienen als referentie. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het verzoek van eiser om overbrenging van 25 februari 2024 niet tijdig is ingediend waardoor eiser geen deel uitmaakt van de afgebakende groep.
4.4.
Het betoog van eiser dat de speciale voorziening uit de Kamerbrief een open einde heeft, omdat de Tolkenregeling een open einde heeft, slaagt niet. Eiser wijst erop dat er een “aanvulling op de werkafspraken 2014” (de Tolkenregeling) is opgesteld waarbij is aangesloten bij de materiële criteria uit de Kamerbrief. Uit het enkele feit dat wordt aangesloten bij de materiële criteria van de speciale voorziening uit de Kamerbrief volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de speciale voorziening hiermee ook een open einde heeft gekregen.
4.5.
Nu eiser niet valt onder afgebakende groep zoals bedoeld in de Kamerbrief, heeft verweerder niet hoeven toetsen of eiser voldoet aan de overige criteria van de speciale voorziening. De hiertegen ingediende gronden zullen dan ook niet worden besproken.
4.6.
Het in de Kamerbrief neergelegde beleid is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, maar er kunnen zich wel bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan de minister niet strikt mag vasthouden aan dat beleid. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht waarin de rechtbank aanleiding ziet voor het oordeel dat de afwijzing in dit geval onevenredig is.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder zich niet hoeft in te spannen om eiser en zijn gezinsleden over te brengen naar Nederland. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht en in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2684. Verweerder heeft ingestemd met rechtstreeks beroep.
Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860.
Uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718 en ECLI:NL:RVS:2023:719.
Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag 17 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:175 en van de rechtbank Den Haag 22 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2164.
ECLI:NL:RVS:2023:718 overweging 4. en 4.2.
ECLI:NL:RVS:2023:718 overweging 4.4.
ECLI:NL:RVS:2023:718 overweging 4.3 en ECLI:NL:RVS:2023:719 overweging 5.1.
Kamerstukken II 2020/2021, 27 925 nr. 808, p. 9.
Uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, onder 4.2 en 4.3 en van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1507, onder 7.