Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:10358
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,783 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8396
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),
en
de bewaarder van het kadaster en de openbare registers, verweerder
(gemachtigde: mr. P.A.M. Schamp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om herstel van gegevens in de Basisregistratie Kadaster (BRK).
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 30 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser woont aan de [adres 1] in [plaats] . Hij heeft verweerder gevraagd om herstel van de vermelding in de BRK dat het appartementsrecht [adres 2] in Den Haag is ondergesplitst in twee appartementsrechten (A7 en A8).
2.1.
Verweerder heeft het herstelverzoek afgewezen. De gegevens in de BRK komen namelijk overeen met de gegevens in het brondocument dat in het openbaar register is ingeschreven. In dit geval is het brondocument de akte van ondersplitsing waarvan een afschrift op 15 oktober 2020 is ingeschreven.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Verweerder moet overgaan tot herstel van de gegevens in de BRK. In de BRK staat namelijk dat het appartement van eisers buren is ondergesplitst, maar dat is niet zo. Er bestaat daarom gerede twijfel over de in de BRK opgenomen authentieke gegevens. Er zijn meerdere besluiten van het college van burgemeester en wethouders waaruit volgt dat het pand van eisers buren niet (meer) illegaal (onder)gesplitst mag zijn. Dit is ook bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Verweerder had daarom onderzoek moeten instellen naar de juistheid van dat wat is opgenomen in het brondocument en of deze gegevens nog overeenstemmen met de huidige juridische en feitelijke toestand. Verweerder had eisers herstelverzoek moeten inwilligen, of ambtshalve tot correctie van de BRK moeten overgaan. Daarnaast had verweerder gebruik kunnen maken van een vernieuwingsprocedure om de gegevens in de BRK te wijzigen. Doordat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheden heeft hij in strijd gehandeld met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
3.1.
Verder moet verweerder ervoor zorgdragen dat de gegevens in de landelijke voorzieningen, waaronder de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), overeenstemmen met het door het college van burgemeester en wethouders verstrekte gegeven. Dit is ten onrechte niet gebeurd.
3.2.
Tot slot is eiser ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden eisers verzoek om wijziging van de gegevens in de BRK heeft afgewezen. Zij zal dit oordeel hierna uitleggen.
4.1.
Verweerder schrijft stukken, die worden aangeboden voor inschrijving en die aan de wettelijke vereisten voldoen, meteen na het aanbieden daarvan in, in de BRK. Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder daarbij een lijdelijke rol heeft. Dat betekent dat het niet tot zijn taak behoort om te controleren of de stukken die worden aangeboden voor inschrijving inhoudelijk juist zijn. Verweerder moest dus de akte van ondersplitsing inschrijven, zonder te onderzoeken of de ondersplitsing was toegestaan. Het gevolg van dit wettelijke systeem is dat de BRK de juridische situatie weergeeft zoals deze is opgenomen in de ingeschreven stukken. Of dit de daadwerkelijke juridische werkelijkheid weerspiegelt, is niet aan verweerder, maar aan de burgerlijke rechter om te beoordelen. Verweerder wijst er daarom terecht op dat als eiser wenst op te komen tegen de inschrijving omdat de daarin vermelde informatie onjuist is, hij zich moet wenden tot de burgerlijke rechter.
4.2.
Als een belanghebbende twijfelt over de juistheid van een in de BRK opgenomen authentiek gegeven kan hij onder opgaaf van redenen een herstelverzoek doen. Uit vaste rechtspraak en uit de wetsgeschiedenis volgt dat de reikwijdte van een herstelverzoek beperkt is. Het gaat om herstel van misslagen in de BRK. Dat wil zeggen dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig is gebeurd, omdat de bijwerking niet overeenkomt met het brondocument (in dit geval: de akte van ondersplitsing).
4.3.
De vraag die dus moet worden beantwoord is of sprake is van een kennelijke misslag, omdat er een verschil is tussen het brondocument en de BRK. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen verschil is tussen het brondocument (de akte van ondersplitsing) en de BRK. Van een misslag is dus geen sprake. Verweerder heeft daarom op goede gronden het verzoek van eiser tot herstel van de gegevens in de BRK afgewezen.
4.4.
Omdat er geen verschil is tussen het brondocument (de akte van ondersplitsing) en de BRK kan eiser ook met een beroep op ambtshalve correctie niet bereiken wat hij wil bereiken. Ambtshalve correctie van de BRK vindt namelijk pas plaats als verweerder constateert dat de weergave van een authentiek gegeven in de BRK niet in overeenstemming is met het gegeven in het brondocument of als het authentiek gegeven niet juist en volledig uit het brondocument is afgeleid. Dat is hier dus niet het geval.
4.5.
Het beroep van eiser op de vernieuwingsprocedure slaagt ook niet. Verweerder is in bepaalde gevallen bevoegd te onderzoeken of de gegevens die zijn weergegeven in de BRK juist en volledig zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het daarbij in de regel gaat om gebieden waarvan de kadastrale kaarten nog dateren uit de tijd van de oprichting van het Kadaster in het begin van de negentiende eeuw. Van deze kaarten is in het algemeen de nauwkeurigheid te gering en de gebruikte schaal te klein voor bestuurlijke doeleinden. Ook zijn de destijds vermelde gegevens over de rechthebbende, de op de onroerende zaak rustende rechten en de grootte van de zaak niet voldoende betrouwbaar en nauwkeurig. Voor dit soort situaties heeft verweerder de bevoegdheid om over te gaan tot vernieuwing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het ontbreken van toestemming van de VvE voor ondersplitsing niet een situatie is waarvoor de vernieuwingsprocedure is bedoeld. Verweerder mocht dus weigeren om van zijn vernieuwingsbevoegdheid gebruik te maken.
4.6.
De landelijke voorziening BAG is een geautomatiseerde landelijke voorziening waarin de gegevens uit de in de gemeenten gehouden basisregistratie is opgenomen. Verweerder draagt er zorg voor dat de weergave van een in de landelijke BAG gegeven overeenkomt met het door de burgemeester en wethouders verstrekte gegeven. Burgemeester en wethouders verstrekken langs de elektronische weg de gegevens uit hun basisregistratie aan verweerder, zodat verweerder die gegevens in de landelijke voorziening BAG kan opnemen. Verweerder kan zelf de gegevens in de BAG niet wijzigen. Hij heeft daarom eisers verzoek doorgezonden aan het college. De rechtbank acht dit niet onjuist.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ervan kon afzien om eiser te horen in bezwaar. De registratie is immers conform de inhoud van de akte van ondersplitsing bijgewerkt in de BRK. Op voorhand was er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat de bezwaren niet konden leiden tot een ander oordeel.
6. Tot slot is de rechtbank niet gebleken van strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kadastraal bekend bij de gemeente ’s-Gravenhage, sectie AM, complexaanduiding 7368, appartementsindex 3.
Op grond van artikel 7t van de Kadasterwet.
Op grond van artikel 7s van de Kadasterwet.
Op grond van artikel 74 van de Kadasterwet.
Op grond van artikel 26 en 27 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet BAG).
Artikel 19, eerste lid, van Boek 3, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5723.
Uitspraken van de Afdeling van 2 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4507 en van 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7779.
Artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet.
Uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1174 en Kamerstukken II 2005/06, 30 544, nr. 3, p. 18 en 20.
Op grond van artikel 7s, eerste lid, van de Kadasterwet.
Artikel 7f, tweede lid, of 7g, eerste lid, van de Kadasterwet.
Artikel 7s, eerste lid, van de Kadasterwet.
Artikel 74 van de Kadasterwet.
Nota van Toelichting bij het Kadasterbesluit, Stb. 1991, 571, p. 29-30.
Artikel 31 van de Wet BAG.
Artikel 38 van de Wet BAG.
Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.