Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:9687
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,911 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.38009
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [v-nummer]), eiser,
(gemachtigde: mr. M.E.Th. Hogervorst),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. Mandersloot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 november 2023 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. Eiser heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL23.38010). Dat verzoek is toegewezen op 15 december 2023. Daarbij is overwogen dat de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, over (kort gezegd) de deelbaarheid, reikwijdte en strekking van het interstatelijk vertrouwensbeginsel relevant zijn voor de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter heeft daarom bepaald dat eiser niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat is beslist op het beroep.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. van Kaan als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is daarvoor. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en verweerder zijn aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, Vw 2000. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 23 juli 2023 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Om die reden heeft Nederland op 3 oktober 2023 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 17 oktober 2023 aanvaard.
6. Eiser voert aan dat voor Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij stelt eiser dat de Afdeling in haar uitspraak van 13 september 2023 een foutief standpunt heeft ingenomen dat niet houdbaar is. Eiser verwijst daarbij naar ernstige mishandelingen, pushbacks, hetgeen hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt en naar de gestelde prejudiciële vragen door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch. Daarnaast handhaaft eiser zijn stelling dat er momenteel geen overdrachten plaatsvinden naar Kroatië omdat er geen opvang beschikbaar is. Ook voert eiser aan dat er een groot verschil is in de behandeling van een zogenaamde ‘impliciete intrekking’ van de asielaanvraag, waarbij het voor Kroatië makkelijk is om de aanvraag van eiser af te wijzen. Eiser verwijst ook naar wat in het claimakkoord daarover door de Kroatische autoriteiten is gesteld. Eiser voert ten slotte aan dat hij vanwege zijn seksuele geaardheid behoort tot een kwetsbare groep, wat maakt dat een overdracht naar Kroatië getuigt van een onevenredige hardheid. Verweerder had dan ook de aanvraag van eiser aan zich moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
7. De rechtbank is van oordeel dat eisers betoog niet slaagt. Voorop staat daarbij dat eiser nu gereguleerd aan Kroatië wordt overgedragen op grond van de Dublinverordening na een claimakkoord van de autoriteiten van Kroatië.
8. De rechtbank overweegt verder dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in een arrest van 29 februari 2024 antwoord heeft gegeven op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch. In dat arrest wordt (kort gezegd en voor zover relevant voor dit beroep) overwogen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel deelbaar is en dat de situatie beoordeeld moet worden die de vreemdeling tijdens en na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat te verwachten heeft. En niet de situatie waarin de vreemdeling zich bevond toen hij of zij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betrad. Van een overdracht moet worden afgezien als er ernstige en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de over te dragen vreemdeling een reëel risico loopt om ná de overdracht – door een fundamentele structurele systeemfout in bijvoorbeeld de asielprocedure of opvang – in een onmenselijke of vernederende situatie in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM terecht te komen die “de Jawo-drempel” haalt.
9. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiser een reëel risico loopt om in zo’n situatie terecht te komen als hij wordt overgedragen aan Kroatië.
10. Onder verwijzing naar de recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat voor Kroatië (bij een Dublin-overdracht) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit die rechtspraak volgt namelijk dat er (in het algemeen) geen aanleiding is om te veronderstellen dat een vreemdeling bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een situatie die in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. In die rechtspraak zijn de zorgen over de pushbackpraktijken betrokken. Het enkele feit dat eiser en Vluchtelingenwerk Nederland (in de overgelegde notitie in Update 2023, nr. 37) het met die rechtspraak niet eens zijn, is voor de rechtbank onvoldoende om anders te oordelen dan de Afdeling. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt daarnaast nog een brandbrief van 26 maart 2024 overgelegd van LGBT Asylum Support gericht aan de demissionair Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verder heeft eiser geen nadere gronden of andere, nieuwe informatie ingebracht om zijn standpunt nog aanvullend te onderbouwen. De rechtbank constateert echter dat de brandbrief niet ziet op Dublinclaimanten en bovendien getuigenissen bevat waarvan niet duidelijk is wanneer de daarin omschreven gebeurtenissen plaatsvonden en die ook afwijken van de situatie van eiser aangezien hij gereguleerd zal worden overgedragen aan Kroatië. Daarom is er voor de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de vaste lijn van de Afdeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij een overdracht aan Kroatië, waarin met alle beschikbare informatie rekening is gehouden. Er is dus ook geen sprake van de situatie dat verweerder rekening moet houden met (aanvullende) relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn en die gaat over mogelijke ernstige tekortkomingen en systeemfouten die resulteren in een onmenselijke of vernederende behandeling na overdracht aan Kroatië.
11. Eiser heeft zijn standpunt dat er geen overdrachten meer plaatsvinden naar Kroatië niet onderbouwd en het op de zitting ook bij de enkele stelling daarover gelaten. Verweerder heeft dat verder uitdrukkelijk betwist en ook de rechtbank is – ambtshalve – geen informatie bekend dat er geen overdrachten naar Kroatië plaatsvinden. Dit betoog slaagt daarom niet.
12. Voor zover eiser met zijn betoog over de ‘impliciet intrekking’ aanvoert dat er niet van kan worden uitgegaan dat Kroatië zijn asielaanvraag zorgvuldig zal behandelen als hij is overgedragen, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de autoriteiten van Kroatië in het claimakkoord hebben gegarandeerd eisers verzoek om internationale bescherming te behandelen volgens de voorwaarden die daarvoor gelden op grond van de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. Uit het interstatelijk vertrouwensbeginsel volgt verder dat verweerder ervan kan uitgaan dat Kroatië de asielaanvraag van eiser zorgvuldig zal behandelen nadat hij is overgedragen. Dat de Kroatische autoriteiten in het claimakkoord hebben vermeld dat inhoudelijke behandeling van het verzoek kan worden gestaakt als sprake is van een impliciete intrekking, maakt dit niet anders. De Procedurerichtlijn biedt deze mogelijkheid immers. In het claimakkoord is dit bovendien als algemene opmerking opgenomen en is niet gesteld dat (de asielaanvraag van) eiser in deze omstandigheden verkeert. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
13. Ook het persoonlijk relaas van eiser over zijn ervaringen in Kroatië leidt niet tot de conclusie dat eiser bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiser heeft zelf verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden in Kroatië toen hij daar aankwam: hij heeft één nacht in detentie gezeten, waarna hij een brief kreeg en weer vrij is gelaten. Er is niet aangetoond of gesteld dat deze detentie onrechtmatig was. Verder heeft eiser zelf geen ervaring met de asielprocedure en opvangvoorzieningen voor een Dublinclaimant in Kroatië.
Conclusie
17. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep is daarom ongegrond en eiser krijgt om die reden geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 juni 2024.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
ECLI:NL:RBLIM:2023:7335.
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
Op grond van artikel 18, eerste lid, onder b van de Dublinverordening.
Op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
ECLI:EU:C:2024:195.
De uitspraak van 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3411) en recentelijk ook nog de uitspraken van 1 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1849) en van 17 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2099).
Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3164) en recentelijk de uitspraak van 2 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1860).