Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:7292
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,078 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18827
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 5 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft de maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 22 april 2024.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 7 mei 2024 gesloten en bepaald dat de
zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 22 april 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 16 april 2024, rechtmatig is.
Uitspraak van 22 april 2024
3. Eiser voert aan dat in de uitspraak van 22 april 2024 onterecht is geoordeeld dat in de uitspraak in het beroep tegen een eerdere maatregel van bewaring door de staatssecretaris niets is aangevoerd over misbruik van recht. Dit is namelijk wel het geval en hierover is ook uitgebreid gediscussieerd. Er is dus in die uitspraak al een oordeel gegeven over de vraag of sprake was van misbruik van recht en hieraan is de rechtbank gebonden.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit deze beroepsgrond blijkt dat eiser het niet eens is met de uitspaak van 22 april 2024. Het is echter niet aan de rechtbank om in een vervolgberoep te oordelen over een eerdere uitspraak. Tegen deze uitspraak kan eiser hoger beroep instellen en dit heeft eiser ook gedaan.
Misbruik van recht en nieuwe aanvraag toetsing aan het Unierecht
4. Eiser voert aan dat hij op 15 april 2024 een nieuw, beter onderbouwd verzoek om toetsing aan het Unierecht heeft ingediend. Hierdoor heeft eiser procedureel rechtmatig verblijf gehad tot het moment van afwijzing van die aanvraag bij besluit van 26 april 2024. De maatregel van bewaring is daarom onrechtmatig volgens eiser.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 22 april 2024 is geoordeeld dat eiser zich met door hem op 7 maart 2024 ingediende aanvraag om toetsing aan EU-recht schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht. Eiser heeft op 15 april 2024 (opnieuw) een aanvraag gedaan voor toetsing aan het Unierecht, waarbij eiser heeft aangekruist dat hij een echtgenoot/ (geregistreerd) partner is van een burger van de Unie (zijnde een Nederlander). Bij zijn aanvraag heeft eiser een kopie van het paspoort en een e-mailbericht van 9 april 2024 van zijn gestelde partner overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze aanvraag dezelfde strekking als de aanvraag van 7 maart 2024, ten aanzien waarvan misbruik van recht is aangenomen. De aanvraag is niet op wezenlijk andere gegevens of uitgangspunten gebaseerd en is slechts summier onderbouwd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het e-mailbericht en de kopie van het paspoort ook bij de eerdere aanvraag zijn overgelegd en de rechtbank dit heeft meegewogen in de uitspraak van 22 april 2024. Ook bij deze aanvraag ontbreekt een toelichting. Eiser heeft wederom niet toegelicht waarom hij vóór het moment van de aanvraag nooit over deze Nederlandse vriendin heeft verklaard. Ook heeft hij niet toegelicht waarom hij wisselend heeft verklaard over zijn (ex-)partners, de in Nederland verblijvende familieleden en over het doel van zijn verblijf in Nederland. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op 25 april 2024 door de staatssecretaris de gelegenheid is gegeven de onvolledige aanvraag aan te vullen met bewijsstukken. Hiervan heeft eiser geen gebruik gemaakt. Ondanks dat de staatssecretaris een korte termijn heeft gegeven voor het herstellen van het verzuim, kon van eiser wel verwacht worden dat hij binnen deze termijn de gevraagde bewijsstukken zou overleggen aangezien de staatssecretaris in het kader van een eerdere aanvraag op 15 maart 2024 ook al een brief heeft gestuurd met de vraag om aanvullende bewijsstukken. Eiser wist dus vanaf 15 maart 2024 dat de staatssecretaris aanvullende bewijsstukken nodig had. Daarnaast heeft de rechtbank in de uitspraak van 22 april 2024 aangegeven op welke punten onduidelijkheid bestaat. Gelet hierop lag het op de weg van eiser om zijn huidige aanvraag nader te onderbouwen met stukken. Dat heeft hij nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is ook bij de nieuwe aanvraag sprake van misbruik van recht en zijn er geen concrete aanwijzingen om hierover anders te oordelen dan in de uitspraak van 22 april 2024. Hieruit volgt dat eiser geen procedureel rechtmatig verblijf heeft gehad vanaf het moment van indiening van de nieuwe aanvraag om toetsing van EU-recht tot het moment van afwijzing daarvan.
Gebruik van handboeien
5. Eiser voert aan dat hij op 2 mei 2024 voor medisch onderzoek naar het ziekenhuis is gebracht. Tijdens het vervoer en het verblijf in het ziekenhuis is gebruik gemaakt van handboeien. Eiser heeft hiertegen geprotesteerd waarna hij is teruggebracht naar het detentiecentrum, zonder dat hij is onderzocht in het ziekenhuis. Dit is volgens eiser buitenproportioneel omdat de kans op wegrennen, gelet op de astma van eiser, weinig kansrijk is.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser zat op 2 mei 2024 in bewaring. Het gaat daarom om een gestelde rechtsinbreuk tijdens de tenuitvoerlegging van de bewaringsmaatregel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state (Afdeling) volgt dat de bewaringsrechter niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum. Het eventuele gebruik van handboeien tijdens het vervoer naar het ziekenhuis en tijdens het bezoek in het ziekenhuis ziet op de feitelijke toepassing van het regime. Hiervoor staat een andere rechtsgang open. Dat eiser mogelijk met handboeien naar het ziekenhuis is vervoerd maakt niet dat het detentiecentrum gelijk staat aan een gevangenisomgeving in welk geval de bewaringsrechter zou moeten toetsen of de bewaring nog rechtmatig is.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 22 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5842.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3888.
Zie r.o. 5.5.1. van deze uitspraak.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8075, 25 november 2020,
ECLI:NL:RVS:2020:2795 en 29 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:4002.