Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:5833
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,751 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15461
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris op zitting de gronden 3c, 3i en 4e heeft laten vallen. De staatssecretaris legt die gronden niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
1.2.
De gemachtigde van eiser heeft er op zitting op gewezen dat de motivering inzake grond 3b en grond 4a gedeeltelijk overlapt. De feitelijke juistheid van deze motivering, alsmede de motivering van het onttrekkingsrisico bij grond 4a heeft eiser niet betwist. De rechtbank ziet hierin dan ook geen betwisting van deze gronden. De rechtbank stelt dan ook vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de overgebleven gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen reden om te concluderen dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
Had de staatssecretaris moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel. Eiser heeft een rechtmatig in Nederland verblijvende partner en hij kan bij haar verblijven in afwachting van de overdracht naar Denemarken. Eiser is daarmee traceerbaar op het adres van zijn partner.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Ook nadat duidelijk werd dat eiser bij zijn vriendin kon verblijven heeft de staatssecretaris geen aanleiding hoeven zien om alsnog tot toepassing van een lichter middel over te gaan. De staatssecretaris heeft namelijk voldoende gemotiveerd dat het risico op onttrekking bij het opleggen van een lichter middel voor hem te groot is. De staatssecretaris acht daartoe terecht van belang dat eiser meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken, zowel in Nederland als in andere landen binnen de Europese Unie.
Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de overdracht?
3. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht naar Denemarken. Pas op 14 april 2024 is een claimverzoek verstuurd naar de Deense autoriteiten. In het vertrekgesprek van 12 april 2024 werd ook Duitsland nog genoemd als mogelijk Dublinland, maar aan Duitsland is in het geheel geen claim gericht.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de staatssecretaris op zitting heeft toegelicht was enig onderzoek nodig voordat voor eiser een Dublinclaim gelegd kon worden. Zo waren zowel Duitsland als Denemarken in beeld als mogelijke landen waarnaar eiser kon worden overgedragen. Toen duidelijk werd dat de claim gelegd diende te worden bij Denemarken, heeft de staatssecretaris dat gedaan. Dit acht de rechtbank voldoende voortvarend. Verder is op 12 april 2024 met eiser een vertrekgesprek gehouden. Dat vertrekgesprek merkt de rechtbank ook aan als een handeling gericht op het vertrek van eiser. Ook dat acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.