Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23675
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,370 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1826
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp),
en
de burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigden: mr. L.M. Otter en mr. G.A.A.M. Swagemakers).
Inleiding
1. Met het besluit van 13 oktober 2023 heeft verweerder besloten om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet de woning op het adres [adres] in [plaats] (de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden.
1.1.
Eiser heeft daartegen bezwaar ingediend en de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek bij uitspraak van 20 november 2023 afgewezen.
1.2.
De woning is op 23 november 2023 gesloten.
1.3.
Met het bestreden besluit van 14 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn besluit gebleven.
1.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Op 6 juni 2023 heeft de politie naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) de woning doorzocht. Bij die doorzoeking is 10,09 gram amfetamine en 35,94 gram cocaïne in de wc-pot aangetroffen. Eiser probeerde de drugs door de wc te spoelen toen hij doorhad dat de politie de woning wilde betreden. Ook heeft de politie in de woning diverse goederen aangetroffen waaronder versnijdingsmiddel, verpakkingsmateriaal, twee telefoons, een drukpers, een weegschaal, een pot met € 550,65 aan kleingeld en een enveloppe met daarin € 1.900,- aan biljetten. Van de doorzoeking heeft de politie op 18 juli 2023 een bestuurlijke rapportage opgemaakt en naar verweerder toegezonden.
3. Verweerder heeft op basis van deze bestuurlijke rapportage besloten de woning te sluiten en gesloten te houden voor de periode van drie maanden.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser betoogt dat de sluiting van de woning niet noodzakelijk was, aangezien er geen feitelijke handel is waargenomen en er ook geen overlast is gemeld door buurtbewoners. Verweerder had met een minder ingrijpend middel kunnen volstaan. Daarnaast meent eiser dat het besluit tot sluiting van de woning onevenredige gevolgen heeft voor de woonsituatie van eiser als kwetsbaar persoon. Door de sluiting van de woning is de huurovereenkomst met Stichting Haag Wonen ontbonden en heeft eiser een negatieve verhuurdersverklaring gekregen. Door deze negatieve verhuurdersverklaring kan eiser geen aanspraak meer maken op een sociale huurwoning in de regio.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Niet in geschil is dat verweerder bevoegd was om de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder in dit geval in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld in hoeverre de sluiting van de woning noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is ook de vraag aan de orde of verweerder met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan.
Was de sluiting noodzakelijk?
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs in beginsel al een belang tot sluiting van de woning met zich brengt. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. De omstandigheid dat door de politie geen feitelijke handel vanuit de woning is waargenomen, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Het uitgangspunt is namelijk dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Daarnaast kan feitelijke handel in of vanuit de woning worden aangenomen op grond van het in de woning aantreffen van voorwerpen die te relateren zijn aan drugshandel.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat in de woning naast handelshoeveelheden van verschillende typen harddrugs ook voorwerpen aangetroffen zijn die te relateren zijn aan drugshandel, zoals een weegschaal, een drukpers, versnijdingsmiddel, verpakkingsmateriaal en een grote hoeveelheid contant geld. Daarnaast was er een TCI-melding dat eiser vanuit de woning cocaïne zou verkopen. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat de woning, ondanks dat door verweerder ter plekke geen drugsoverlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd, een beduidende rol vervult binnen de keten van drugshandel. Bij het beoordelen van de ernst van het geval heeft verweerder verder terecht betrokken dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk ligt en in de directe omgeving van een middelbare school en een verslavingskliniek.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk was en niet kon worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel.
Was de sluiting evenredig?
5.4.
De sluiting van de woning moet niet alleen noodzakelijk zijn maar ook evenredig. Bij de beoordeling van de evenredigheid zijn onder meer de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting van belang. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is echter niet per definitie onevenredig.
5.5.
Het is inherent aan een woningsluiting dat een bewoner de woning moet verlaten en elders onderdak moet vinden. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders wanneer sprake is van een bijzondere binding met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. De enkele omstandigheid dat eiser in 2012 onder bewind is gesteld vanwege zijn lichamelijke een geestelijke toestand acht de rechtbank onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat eiser als kwetsbaar persoon is gebonden aan de woning. Ook de omstandigheid dat eiser na sluiting van de woning niet meer terug kon keren naar de woning en een negatieve verhuurdersverklaring heeft gekregen is niet dusdanig zwaarwegend dat dit het besluit onevenredig maakt. Te meer nu eiser inmiddels in een nieuwe sociale huurwoning woont.
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangen bij sluiting van de woning zwaarder mogen wegen dan de belangen van eiser bij het voortgezet gebruik van de woning. De rechtbank acht de sluiting van de woning gelet op het voorgaande niet onevenredig en er was voor verweerder dan ook geen aanleiding om daarvan af te zien.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 13b, eerste lid en onder a, van de Opiumwet in samenhang bezien met de Beleidsregel toepassing artikel 13b Opiumwet Den Haag 2023.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912 en de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:715.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3481.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.