Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:23544
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,767 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/679
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Pakistan, eiser
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. I.S. IJserinkhuijsen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 11 april 2022 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de broer van eiser I.K. Choudry en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] en verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Of eiser door geboorte ook via zijn ouders de Pakistaanse nationaliteit verkreeg, is niet duidelijk. Per 7 september 2006 is eiser uitgeschreven uit de BRP wegens vertrek naar Groot-Brittannië. Sindsdien heeft hij niet meer in Nederland ingeschreven gestaan. Aan hem is voor het laatst op 27 april 2010 een Nederlands paspoort verstrekt. Eiser heeft op 19 juli en 21 oktober 2021 een paspoort aangevraagd bij de ambassade. Volgens verweerder is eiser echter op 27 april 2020 het Nederlanderschap van rechtswege verloren omdat hij tien jaar nadat hij meerderjarig werd verblijf heeft gehad in Pakistan, en niet in het Koninkrijk der Nederlanden dan wel een andere Europese lidstaat. De aanvraag is daarom buiten behandeling gesteld.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser bezit niet de Pakistaanse nationaliteit. Verweerder is hier ten onrechte vanuit gegaan en had hier bewijs voor moeten aanleveren. Eiser zal bij verlies van het Nederlanderschap staatloos worden. Verder is van belang dat verweerder heeft erkend dat eiser van 20 mei 2010 tot 14 augustus 2020 in Nederland heeft verbleven. Het is dan ook onbegrijpelijk dat eiser zijn Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren op basis van onafgebroken verblijf van 10 jaar. Ook is verweerder voorbij gegaan aan het feit dat eiser eerder afspraken heeft gemaakt met de Nederlandse ambassade in Pakistan om een paspoort aan te vragen. De ambassade heeft de afspraken tot juli 2021 afgezegd vanwege de Covid-19 pandemie. Er is dan ook sprake van een overmachtssituatie. Dat eiser de gevolgen daarvan moet dragen is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Tot slot heeft verweerder het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel ten onrechte buiten beschouwing gelaten. In bezwaar vindt immers een volledige heroverweging van de beslissing plaats. Eiser heeft sterke banden met Nederland en de EU, vanwege zijn lange verblijf in Nederland en vanwege het feit dat al zijn familieleden en vrienden op EU-grondgebied verblijven. De intrekking is dan ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Elke Nederlander heeft recht op een nationaal paspoort. Een meerderjarige Nederlander die ook een andere nationaliteit bezit, verliest van rechtswege het Nederlanderschap als hij gedurende een ononderbroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft buiten het Koninkrijk en buiten de EU.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de paspoortaanvraag buitenbehandeling heeft kunnen stellen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Gelet op artikel 15, aanhef en onder c, RWN, zoals luidend ten tijde van de aanvraag, volgt de rechtbank de stelling van eiser dat het niet uitmaakt waar eiser heeft verbleven zolang hij niet onafgebroken in Pakistan heeft verbleven niet. Verder blijkt anders dan eiser stelt ook niet uit de overgelegde foto’s van het paspoort van eiser dat hij Nederland is ingereisd op 20 mei 2010 en weer is uitgereisd op 14 augustus 2020. Op de foto blijkt enkel dat eiser op 20 mei 2010 Pakistan is uitgereisd en 14 augustus 2010 weer is ingereisd. Los van het feit dat niet is gebleken dat eiser Nederland is ingereisd, gaat het hier om een periode van 3 maanden. Uit artikel 15, derde lid RWN volgt dat een periode niet wordt geacht te zijn onderbroken indien gedurende een periode korter dan een jaar hoofdverblijf heeft gehad in Nederland. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
4.2.
De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat eiser het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren omdat hij geen document heeft ontvangen dat de tienjaartermijn heeft gestuit. Dat de afspraak bij het Nederlandse ambassade in Pakistan niet doorging buiten de macht van eiser om, en dat de ambassade alle afspraken tot juli 2021 heeft afgezegd vanwege de Covid-19 pandemie, maakt dat niet anders. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat het in de situatie van eiser niet onmogelijk was om de tienjaartermijn te stuiten omdat hij online een verklaring van het bezit van het Nederlanderschap aan had kunnen vragen. Aan Nederlanders die in het buitenland wonen komt een verantwoordelijkheid toe om zich adequaat te laten voorlichten over de geldende regelgeving met betrekking tot (het behoud van) het Nederlanderschap. Dat eiser niet op de hoogte zou zijn geweest van de mogelijkheid om de termijn te stuiten door online een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap aan te vragen, komt daarom voor zijn rekening en risico. Bovendien verviel het laatste aan eiser verstrekte Nederlandse paspoort op 27 april 2015. Dat eiser pas kort voor het verlopen van de tienjaarstermijn een aanvraag heeft ingediend komt tevens voor zijn eigen rekening en risico en maakt het voorgaande dan ook niet anders.
5. Verder heeft verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser in Pakistan woonachtig is en daarom al niet valt onder de voorwaarden voor verstrekking van en National Identity Card for Overseas Pakistanis (hierna: NICOP). Deze kaart is immers bestemd voor Pakistaanse burgers die niet in Pakistan wonen. Bovendien heeft eiser noch in bezwaar noch in beroep een kopie van de NICOP overgelegd. Daarnaast is gebleken dat aan eiser een Pakistaanse National Identity Card (hierna: NIC) is verstrekt, een kaart die alleen maar aan burgers van Pakistan wordt afgegeven. Op de zitting heeft verweerder gemotiveerd dat uit artikel. 4, derde lid van de Pakistaanse nationaliteitswetgeving volgt dat verblijf in Nederland, als land waar iemand met de Pakistaanse nationaliteit mag verblijven, nooit tot automatisch verlies van de Pakistaanse nationaliteit kan leiden. Dit heeft eiser niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser op geen enkele wijze heeft aangetoond dat hij niet in bezit is van de Pakistaanse nationaliteit. Verweerder heeft hier dan ook vanuit kunnen gaan.
6. De Afdeling heeft, met inachtneming van het arrest Tjebbes, in de uitspraak van12 februari 2020 overwogen dat verweerder in zaken over nationaliteitsverlies van rechtswege dient te onderzoeken of de gevolgen van het nationaliteitsverlies in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het recht van de Europese Unie (hierna: het Unierecht). De evenredigheid moet worden beoordeeld naar het moment van het van rechtswege verliezen van het Nederlanderschap en daarmee van het Unieburgerschap. Het moet daarbij gaan om gevolgen die op het moment van het verlies, dan wel in de redelijkerwijs voorzienbare nabije toekomst, tot concrete belemmeringen leiden.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet in geschil is dat eiser bij brieven van de CSO van 4 augustus 2021 en 1 november 2021 in de gelegenheid is gesteld aan te tonen welke gevolgen van belang zijn in het licht van het evenredigheidsbeginsel en dat eiser niet op deze brieven heeft gereageerd. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd over de gestelde band met Nederland en de EU, maken het voorgaande niet anders. Dat eiser lang in Nederland heeft verbleven, en bijna al zijn vrienden en familieleden in de Europese Unie wonen, is daarvoor onvoldoende. Gelet op het Tjebbes-arrest komt aan dergelijke, niet direct op het Unierecht betrekking hebbende argumenten geen gewicht toe bij de beoordeling of het verlies van de Nederlandse nationaliteit onevenredig moet worden geacht.
6.2.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd de aanvraag van eiser in behandeling te nemen, nu niet is voldaan aan de eis van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet, dat de aanvrager ten tijde van de paspoortaanvraag Nederlander is in de zin van de wet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de paspoortaanvraag van eiser niet in behandeling heeft hoeven nemen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr.R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Artikel 9 van de Paspoortwet.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals luidend ten tijde van de aanvraag.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1270.