Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:23618
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,650 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/92
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Pakistan, eiser
(gemachtigde: mr. J.H.E. Wanrooij),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 24 juni 2022 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 21 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de vader van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser, geboren op [datum] 1992 in Pakistan, verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit, omdat zijn vader de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiser heeft bij zijn geboorte ook de Pakistaanse nationaliteit gekregen omdat zijn ouders allebei de Pakistaanse nationaliteit hebben. Volgens verweerder is eiser op 16 juli 2020 het Nederlanderschap van rechtswege verloren omdat hij tien jaar nadat hij meerderjarig werd verblijf heeft gehad in Pakistan, en niet in het Koninkrijk der Nederlanden dan wel een andere Europese lidstaat. Verweerder is uitgegaan van de evenredigheidstoets van de IND, waarin is geconcludeerd dat geen sprake is van onevenredige gevolgen voor eiser ten gevolge van zijn verlies van het Nederlanderschap. De aanvraag is daarom buiten behandeling gesteld.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is. Omdat eisers vader Nederlander is heeft eiser bij zijn geboorte het Nederlanderschap verkregen. Bovendien stond eiser in 2018 ingeschreven in de BRP. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van eiser. Daarnaast is los van het feit dat de intrekking onevenredig zwaar is voor eiser, die ook onrechtmatig nu artikel 16, eerste lid onder sub c van de RWN in strijd is met artikel 20 VWEU en artikel 24 van het Handvest. Eiser en zijn vader hebben voor de peildatum meerdere pogingen gedaan om een Nederlands reisdocument te verkrijgen. Verder heeft verweerder de evenredigheid niet beoordeeld naar het moment van het rechtswege verliezen van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met de onvoorzienbare omstandigheden, namelijk de corona pandemie, waardoor de aanvraag werd vertraagd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Elke Nederlander heeft recht op een nationaal paspoort. Een meerderjarige Nederlander die ook een andere nationaliteit bezit, verliest van rechtswege het Nederlanderschap als hij gedurende een ononderbroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft buiten het Koninkrijk en buiten de EU.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de paspoortaanvraag buitenbehandeling heeft kunnen stellen. De rechtbank overweegt hierbij als volgt. Niet in geschil is dat eiser het Nederlanderschap heeft verkregen op grond van artikel 3, eerste lid, van de RWN.
Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser van rechtswege het Nederlanderschap is verloren op 16 juli 2020. Eiser heeft als meerderjarige van 16 juli 2010 tot en met 16 juli 2020 onafgebroken verblijf gehad in Pakistan. Verder is niet gebleken dat aan eiser een verklaring omtrent bezit van het Nederlanderschap is verstrekt hetgeen zou hebben geleid tot stuiting van de tienjaarstermijn. Dat eiser in de BRP staat ingeschreven staat als kind van vader maakt het voorgaande niet anders. Aan een vermelding in de persoonslijst in de BRP kan namelijk niet het recht op het Nederlanderschap worden ontleend, dit kan enkel worden ontleend aan de bepalingen in de RWN. Ook kan, anders dan eiser stelt, niet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het Nederlanderschap van rechtswege worden ontleend.
4.2.
Eisers stelling dat het verlies van het Nederlanderschap onrechtmatig is nu artikel 16, eerste lid en onder c in strijd is met artikel 20 van het VWEU en artikel 24 van het Handvest, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk het Nederlanderschap verloren op grond van artikel 15, eerste lid en onder c, van de RWN zoals dat luidde tot 1 april 2022. Daarnaast heeft artikel 16 van de RWN betrekking op het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Eiser heeft het Nederlanderschap echter verloren als meerderjarige. Dit artikel is dan ook niet van toepassing.
5. De Afdeling heeft, met inachtneming van het arrest Tjebbes, in de uitspraak van12 februari 2020 overwogen dat verweerder in zaken over nationaliteitsverlies van rechtswege dient te onderzoeken of de gevolgen van het nationaliteitsverlies in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het recht van de Europese Unie (hierna: het Unierecht). De evenredigheid moet worden beoordeeld naar het moment van het van rechtswege verliezen van het Nederlanderschap en daarmee van het Unieburgerschap. Het moet daarbij gaan om gevolgen die op het moment van het verlies, dan wel in de redelijkerwijs voorzienbare nabije toekomst, tot concrete belemmeringen leiden.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van onevenredige gevolgen voor eiser vanuit het oogpunt van het Unierecht. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft in dit kader in het advies van 14 juni 2022 en het aanvullend advies van 27 februari 2023 heeft de IND een uitgebreide belangenafweging verricht, waarin ook is ingegaan op het beroep van eiser op zijn recht op familie- en gezinsleven. De IND heeft het gegeven dat eiser geboren is in Nederland en dat zijn vader daar woonachtig is niet relevant geacht voor de beoordeling of het verlies van het Unieburgerschap onevenredig is geweest, aangezien die banden met Nederland niet de Unierechten betreffen en daarom in het kader van de evenredigheidstoets geen rol spelen. Verder leidt de IND af dat, voor zover er dient te worden uitgegaan van voorbereidende handelingen ten aanzien van het aanvragen van een Nederlanders paspoort, enkel en op basis van voorbereidende handelingen ten aanzien van het aanvragen van de paspoort niet kan worden geconcludeerd dat ten tijde van het verlies, op 1 juli 2020, redelijkerwijs voorzienbaar was dat eiser zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten uit zou gaan oefenen door naar Nederland te reizen. De rechtbank is van oordeel dat de IND voldoende heeft gemotiveerd waarom de overgelegde documenten niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Eiser is er in beroep niet in geslaagd om het tegendeel aannemelijk te maken. Tot slot is de stelling van eiser dat er door de coronapandemie nagenoeg geen mogelijkheid bestond om voor het verliesmoment een nieuw paspoort aan te vragen geen omstandigheid die verband houdt met het Unierecht. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de onevenredigheid in zijn geval niet naar het moment van verlies van het Nederlanderschap, zijnde 16 juli 2020, is beoordeeld. Uit de adviezen van de IND blijkt dat de onevenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap is beoordeeld naar het moment van het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap. De situatie in Pakistan heeft verweerder terecht buitenbeschouwing gelaten nu dit geen verband houdt met het Unierecht. Het betoog van eiser dat het verlies van het Nederlanderschap onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor hem heeft, slaagt dan ook niet.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
De evenredigheidstoets is verricht naar aanleiding van het Arrest Tjebbes van het Hof van Justitie van de Europese Unie 12 maart 2019, (ECLI:EU:C:2019:189); Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423).
Basisregistratie Personen.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie.
Artikel 9 van de Paspoortwet.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals luidend ten tijde van de aanvraag.
Zie artikel 15, vierde lid van de RWN.
Zie artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1400.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1270.