Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:23537
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,205 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2643
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Sieverink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herroeping van het besluit tot het intrekken en terugvorderen van een aan de [stichting] (hierna: de stichting) verleende subsidie van € 62.491,-.
1.1.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 14 juli 2020 besloten om deze subsidie in te trekken en terug te vorderen. Met het bestreden besluit van 9 januari 2024 heeft verweerder het primaire besluit herroepen en besloten dat de stichting de subsidie niet hoeft terug te betalen.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder vergezeld door mr. I.E. Utermarck.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de stichting op 7 oktober 1987 opgericht en was hiervan tot 25 oktober 2022 onafgebroken bestuurder. De stichting is op 23 november 1987 eigenaar geworden van het [kasteel] (hierna: het kasteel), gelegen op landgoed [adres] . In 2006 is het kasteel aangewezen als Rijksmonument in het monumentenregister. Verweerder heeft de stichting op 25 augustus 2016 een subsidie van maximaal € 200.000,- verleend voor de restauratie van het kasteel. Uiteindelijk heeft verweerder het totale bedrag van de subsidie vastgesteld op € 62.491,-.
2.1.
Uit een op 24 februari 2020 ingesteld onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) heeft verweerder geconcludeerd dat een ernstig gevaar bestaat dat de aan de stichting verleende subsidie mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dit gevaar is gebaseerd op het ernstig vermoeden dat de stichting in relatie staat tot overtredingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd of die strafbare feiten betreffen. Een andere belangrijke aanwijzing voor dit gevaar waren de verschillende transacties rondom de recente verkoop van het kasteel. Met het primaire besluit heeft verweerder op basis van deze bevindingen uit het Bibob-onderzoek besloten om de vastgestelde subsidie in te trekken en terug te vorderen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 9 januari 2024 heeft verweerder het primaire besluit herroepen en besloten dat de stichting de subsidie niet hoeft terug te betalen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de beboetbare of strafbare feiten hoofdzakelijk door de stichting zijn gepleegd in de periode dat eiser hiervan de voorzitter en enig bestuurder was en in die hoedanigheid namens de stichting handelde. Het gevaar hing volgens verweerder dus direct samen met de persoon van eiser en zijn rol bij de stichting. De rechtbank heeft eiser met ingang van 21 januari 2022 geschorst in de uitoefening van zijn functie als bestuurder van de stichting en op 25 oktober 2022 ontslagen. Dit maakt volgens verweerder dat niet langer sprake is van een ernstig gevaar in de zin van de Wet Bibob. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Deze procedure gaat uitsluitend over de vraag of eiser als inmiddels ex-bestuurder van de stichting ontvankelijk is in zijn beroep tegen het bestreden besluit.
Wat vinden partijen in beroep?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn beroep ontvankelijk is omdat hij als belanghebbende bij het bestreden besluit moet worden aangemerkt. Dit volgt alleen al uit de Wet Bibob. Eiser stelt persoonlijk belanghebbende te zijn. Want hoewel formeel de procespartij de stichting is, is eiser van oordeel dat hij materieel de procespartij is, omdat het Bibob-onderzoek hoofdzakelijk op zijn persoon was gericht en hij in het bestreden besluit – in tegenspraak met de bevindingen van de Bezwaarschriftencommissie en ander voor hem ontlastend bewijs – wordt weggezet als een Bibob-crimineel.
3.1.
Voorts was eiser degene die de subsidie namens de stichting heeft aangevraagd en bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Eiser heeft vervolgens alle correspondentie tussen de stichting en verweerder gevoerd en was ook aanwezig bij de twee hoorzittingen in de bezwaarprocedure. Ook heeft verweerder hem op zijn verzoek zowel het bestreden besluit als het advies van de Bezwaarschriftencommissie toegestuurd. Dat verweerder deze stukken aangetekend heeft verstuurd en kenbaar heeft gemaakt dat de beroepstermijn is gaan lopen, zijn voor eiser aanwijzingen dat hij ook daadwerkelijk als belanghebbende wordt gezien.
3.2.
Verder is volgens eiser ook sprake van procesbelang. Als het bestreden besluit formele rechtskracht krijgt, staat namelijk in rechte vast dat het gevaar in de zin van de Wet Bibob direct samenhing met de persoon van eiser en zijn rol bij de stichting. Hij zal hierdoor reputatieschade lijden. Bovendien zijn de bevindingen uit het Bibob-onderzoek aanleiding geweest om hem te ontslaan als bestuurder van de stichting. Daarover zijn grote perspublicaties geweest die eveneens tot reputatieschade hebben geleid.
3.3.
Eiser stelt verder aan de orde dat hij een civielrechtelijke vordering heeft op verweerder vanwege een onrechtmatige daad die is gepleegd door een accountant die verweerder in het kader van het uitgevoerde Bibob-onderzoek heeft ingeschakeld. Als het bestreden besluit formele rechtskracht verkrijgt, dan vervalt volgens eiser ook het recht op een schadevergoeding. Eiser wenst dan ook dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat verweerder een nieuw besluit neemt, waarin het advies van de bezwaarschriftencommissie wordt gevolgd en het primaire besluit wordt herroepen met de gewijzigde motivering dat er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat eiser in relatie staat tot relevante strafbare feiten.
4. Verweerder stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in deze procedure. In tegenstelling tot wat eiser heeft betoogd, wordt in de Wet Bibob geen koppeling gemaakt met het begrip ‘belanghebbende’ uit artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser kan daar dus geen belanghebbendheid aan ontlenen. Verder ontbreekt een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit omdat deze niet is gebaseerd op gedragingen van eiser zelf, maar op de gewijzigde omstandigheid dat hij sinds zijn ontslag door de rechtbank op 25 oktober 2022 niet langer de bestuurder is van de stichting.
4.1.
Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij een beroep tegen het bestreden besluit. Van reputatieschade is geen sprake omdat zowel het primaire besluit als het bestreden besluit vanwege de geheimhoudingsplicht op grond van de Wet Bibob niet openbaar zijn gemaakt. Bovendien zijn de door eiser genoemde perspublicaties het gevolg geweest van zijn ontslag en dus niet van bestuurlijke besluitvorming in deze procedure. Ook hierin ligt dus geen procesbelang besloten.
4.2.
Verder stelt verweerder dat de formele rechtskracht uitsluitend ziet op de rechtsgevolgen die samenhangen met de herroeping van het besluit tot het intrekken en terugvorderen van de vastgestelde subsidie. Dat het recht van eiser op een schadevergoeding zou komen vervallen als het bestreden besluit formele rechtskracht verkrijgt, is dan ook onjuist.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of eiser als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.1.
Onder belanghebbende wordt verstaan: ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is’. Zoals uit de Awb-definitie van belanghebbende blijkt, wordt een persoon of entiteit al als belanghebbende gekwalificeerd als diens belangen bij een besluit betrokken zijn. Anders dan onder de voorganger van de Awb, de Wet Arob, is het onder de Awb niet meer noodzakelijk dat betrokkene door dat besluit wordt ‘getroffen’.
5.2.
In het bestreden besluit staat nadrukkelijk vermeld dat het geconstateerde gevaar in de zin van de Wet Bibob direct samenhing met de persoon van eiser en zijn rol bij de stichting. Vanwege zijn ontslag bij de stichting is verweerder met het bestreden besluit overgegaan tot het herroepen van het primaire besluit. Anders dan verweerder heeft betoogd, zijn zowel het primaire als het bestreden besluit dan ook in belangrijke mate gebaseerd op gedragingen van eiser als bestuurder van de stichting.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.
Zie artikel 3, achtste lid van de Wet Bibob in samenhang bezien met artikel 67f van de Awr.
Zie artikel 68, eerste lid, onder d en artikel 69, eerste en tweede lid, van de Awr.
Op grond van artikel 2:298, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Zie artikel 33, tweede lid, van de Wet Bibob.
Zie de uitspraken van het Accountantskantoor van 30 augustus 2021 en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 19 december 2023, ECLI:NL:CBB:2023:713 en de beslissing van verweerder van 16 maart 2021 op het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 september 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5261.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2279 en van 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7419.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3749.
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:758 en van 8 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3229
Op grond van artikel 1:2, eerste lid van de Awb.
Zie in dit verband de uitspraak van de CRvB van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2531.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3749.
Op grond van artikel 28, eerste lid, Wet Bibob
Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3749.
Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:758 en van 8 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3229.