Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:23482
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,905 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1139
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J.H. Braun).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om toekenning van een militair invaliditeitspensioen.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam] (vader van eiser) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is als dienstplichtige, in de stand van soldaat, op 13 juni 1994 opgekomen. Vanaf 26 augustus 2024 was hij afwezig in verband met ziekte. Per 9 september 1994 is eiser uit werkelijke dienst ontslagen. Eiser heeft tijdens zijn diensttijd deelgenomen aan een aantal militaire oefeningen en stelt daarbij een aantal gebeurtenissen als traumatisch te hebben ervaren . Eiser heeft in januari 2014 het volgende verklaard over wat hem bij de oefeningen is overkomen. Bij de eerste oefening op de Veluwe zat hij in een tentje waarbij er ineens bombardementen plaatsvonden en een bom naast hem zou zijn gevallen. Ook zou er volgens eiser zijn geschoten vanuit helikopters en tanks. Eiser is angstig weggerend en onderweg door de vijand beschoten. Daarbij zag hij mensen liggen die door de vijand waren doodgeschoten. Bij een tweede oefening is hetzelfde voorgevallen. Hij werd beschoten door de vijand en hij zag mensen sneuvelen en bloedend neervallen. Eiser heeft volgens hem wederom voor zijn leven moeten rennen terug naar de kazerne. Toen de derde oefening eraan kwam heeft eiser zijn spullen gepakt en is hij ongeoorloofd vertrokken. Eiser stelt dat hij als gevolg van deze oefeningen en zijn tijd als dienstplichtige psychische klachten heeft ontwikkeld. Eiser heeft daarom bij verweerder in 2013 een aanvraag ingediend tot toekenning van een militair invaliditeitspensioen. De verzekeringsarts heeft in de rapportage van het geneeskundig onderzoek van 25 juni 2014 geconcludeerd dat de aanwezige gegevens geen duidelijkheid gaven in de diagnose en causaliteit en dat daarom een psychiatrische expertise is aangevraagd. Eiser weigerde echter bij deze expertise te verschijnen. De verzekeringsarts heeft daarom geconcludeerd dat het niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de diagnose en een eventueel verband met de militaire dienst.
Het verzoek is in 2014 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft in 2021 een nieuwe aanvraag tot toekenning van een militair invaliditeitspensioen ingediend en stelt dat zijn klachten zijn verergerd en dat er nieuwe informatie beschikbaar is. De verzekeringsarts heeft bij het geneeskundig rapport van 21 februari 2023 geconcludeerd dat ten aanzien van de psychische aandoeningen van eiser geen dienstverband kan worden aangenomen. Verweerder heeft deze conclusie overgenomen en het verzoek van eiser om toekenning van een militair invaliditeitspensioen afgewezen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn verzoek. Zo wijst hij er op dat zijn medisch dossier bij Defensie is verdwenen. Dit medisch dossier is opgesteld direct na het plaatsvinden van de militaire oefeningen en hierin wordt volgens eiser door Defensie erkend dat hij PTSS heeft opgelopen. Dat het medisch dossier nu kwijt is, is volgens eiser aan Defensie te wijten en dit betreft een ernstige nalatigheid. Voorts heeft Defensie haar zorgplicht geschonden door eiser na zijn ontslag aan zijn lot over te laten. Hij wijst er in dat verband op dat Defensie hem geen militair invaliditeitspensioen heeft toegekend en hem evenmin heeft doorverwezen naar instellingen die zijn psychische klachten hadden kunnen behandelen. Verder doet eiser zijn beklag over de twee verzekeringsartsen die geneeskundig onderzoek bij hem hebben verricht. Zo wijst hij erop dat zij de feiten verkeerd hebben vastgesteld in hun rapportages. Bovendien zijn zij werkzaam in opdracht van Defensie en kunnen daarom niet worden gekwalificeerd als onafhankelijk en professioneel. Verder had de verzekeringsarts uit moeten gaan van de conclusie van de behandelaar van eiser bij het Psychotraumacentrum te Beilen die stelt dat de stoornissen van eiser herleidbaar zijn naar zijn ervaringen bij Defensie. Ook blijkt uit de door eiser overgelegde stukken dat PTSS de hoofddiagnose is en dat de verzekeringsarts dat niet overneemt is onjuist.
3.1.
Eiser verzoekt onder meer de mate van invaliditeit vast te stellen op 100% en een militair invaliditeitspensioen toe te kennen met terugwerkende kracht vanaf 1994. Eiser verzoekt eveneens om een schadevergoeding van € 750.000,- vanwege gederfde levensvreugde en een schadevergoeding van € 100.000,- wegens het handelen van de verzekeringsartsen. Bovendien hebben deze verzekeringsartsen strafbare feiten gepleegd en moeten daarom ook worden voorgedragen voor ontslag.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het aan verweerder is om naar aanleiding van een aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen medisch onderzoek te laten uitvoeren en op basis daarvan een beoordeling te verrichten van de invaliditeit van de aanvrager en het verband met de dienst. Als verweerder op grond van het medisch onderzoek concludeert dat geen sprake is van invaliditeit met dienstverband, ligt het vervolgens op de weg van eiser om de conclusies van de door verweerder gevolgde medische advisering gemotiveerd in twijfel te trekken. Het is dus aan eiser om twijfel te zaaien over de conclusie van verweerder dat van invaliditeit met dienstverband in zijn geval geen sprake is.
5. Het belangrijkste punt van eiser is dat de artsen die hem hebben gezien voor het opstellen van de geneeskundige rapporten, tot onjuiste conclusies zouden zijn gekomen en de informatie van de behandelaars van eiser niet serieus zouden hebben genomen. Eiser hecht juist veel waarde aan de rapporten en conclusies van zijn behandelaars onder meer omdat dit volgens eiser experts zijn op hun vakgebied.
6. De rechtbank stelt vast dat de behandelaars van eiser en de verzekeringsartsen die door verweerder zijn ingeschakeld van dezelfde diagnoses uitgaan. De vraag is echter in hoeverre deze psychische aandoeningen een verband met de dienst hebben. Dat de verzekeringsartsen en de behandelaars van eiser hierbij een andere conclusie trekken zou kunnen worden verklaard doordat zij anders naar de psychische omstandigheden van eiser kijken. Zoals verweerder heeft toegelicht wordt in een behandelsetting vooral gekeken naar de subjectieve beleving van klachten en de verlichting van de lijdensdruk, terwijl in een door de verzekeringsarts te verrichten beoordeling de nadruk ligt op het objectiveren van de klachten. In zoverre acht de rechtbank het dan ook juist zorgvuldig van verweerder om voor te stellen een psychiatrische expertise te laten verrichten. Dit zou dan gebeuren door een deskundige die geen behandelrelatie met eiser heeft en daardoor ook anders tegen de medische omstandigheden van eiser aan zou kunnen kijken. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat het ingrijpend is voor eiser om een dergelijk onderzoek te ondergaan, had dit meer informatie kunnen geven en wellicht enige twijfels weg kunnen nemen. De rechtbank ziet hierin dan ook, anders dan eiser stelt, geen pestgedrag in. Nu eiser niet heeft ingestemd met het uitvoeren van een psychiatrische expertise zal de rechtbank haar oordeel moeten baseren op de wel aanwezige medische stukken met de kanttekening ten aanzien van de medische stukken van de behandelaars van eiser zoals hiervoor onder r.o. 3 zijn opgenomen.
7. De rechtbank stelt vast dat verzekeringsarts Koop in het geneeskundig rapport van 21 februari 2023 heeft geconcludeerd dat sprake is van zowel PTSS als schizofrenie bij eiser, maar dat niet aannemelijk is geworden dat de militaire dienst heeft bijdragen tot het ontstaan, tot uiting komen of blijvend verergeren van deze stoornissen. Oorzakelijk dienstverband is niet aannemelijk en ook zijn geen termen aanwezig voor verergerend dienstverband. In het rapport is onder meer het volgende te lezen.
7.1.
Ten tijde van het MGO in 2014 was er onduidelijkheid qua diagnostiek, vandaar de verwijzing voor een psychiatrische expertise. Ten aanzien van de PTSS is het onduidelijk wat de traumacriteria zijn.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Er bestaat evenmin aanleiding verweerder op te dragen de door eiser opgegeven schade te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1214.
Beoordeling
Zijn het de ervaringen tijdens de militaire dienst of is het de inkleuring van de ervaringen tijdens en na de oefeningen op de Veluwe of spelen er ook nog andere factoren een rol? Vanuit de behandeld sector is hier geen duidelijkheid over verkregen. Ten aanzien van de schizofrenie is onder meer het volgende overwogen. Alle gegevens beoordelend is het te reconstrueren dat het psychische toestandsbeeld bij eiser zich tijdens de diensttijd mogelijk voor het eerst heeft gemanifesteerd. Immers onder hevige doodsangst kunnen psychotische fenomenen ontstaan bij mensen die hier kwetsbaar voor zijn. Schizofrenie is een voornamelijk constitutionele aandoening waarbij de erfelijke aanleg (endogene kwetsbaarheid) een belangrijke factor is. Er kan gezien de overwegend causale erfelijke factoren door de schizofrenie geen oorzakelijk dienstverband met de militaire dienst worden vastgesteld. Ook kan er niet worden gesproken van een verergerend dienstverband omdat de erfelijke belasting in overwegende mate van betekenis wordt geacht bij het tot uiting komen van het ziektebeeld. De rol van de militaire dienst wordt hierin niet als doorslaggevend gezien. Ten aanzien van de PTSS is vermeld dat naar de mening van onderzoekster er vooralsnog geen redenen zijn om aan te nemen dat hetgeen eiser heeft waargenomen ook daadwerkelijk is gebeurd. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat er geen sprake is geweest van een uitzonderlijke, zeer heftige langdurig en fors ontregelende situatie tijdens de militaire dienst. Aangenomen mag worden dat een dienstoefening op de Veluwe als gebruikelijk kan worden aangemerkt. Gelet op de inhoud van eisers dienstervaringen is het aannemelijk dat de traumacriteria van de PTSS de psychotische belevingen betreffen en niet de dienstervaring in engere zin.
7.2
In feite staat hier dat de schizofrenie een erfelijke aandoening is en dat die aandoening ervoor heeft gezorgd dat eiser de dienstoefening(en) heel anders heeft ervaren dan wat er daadwerkelijk is gebeurd. En dat dus de schizofrenie ten grondslag ligt aan de psychische problemen die eiser ervaart en niet de PTSS.
7.3
De door verweerder in bezwaar ingeschakelde verzekeringsarts Bhaggoe komt ook tot de conclusie dat het toestandsbeeld en de medische beperkingen in overwegende mate bepaald worden door de schizofrenie en dat het aandeel van de militaire oefeningen in het totaalbeeld gering is.
8. De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de verzekeringsartsen navolgbaar zijn en dat verweerder van de juistheid hiervan heeft mogen uitgaan. Eiser is er niet in geslaagd twijfel te zaaien ten aanzien van deze conclusies. Zijn stelling dat zijn behandelaar van het Psychotraumacentrum te Beilen heeft geconcludeerd dat beide stoornissen herleidbaar zijn naar zijn ervaringen bij Defensie, is daartoe onvoldoende. Verder heeft eiser niet aannemelijk kunnen maken dat door Defensie direct na het plaatsvinden van de militaire oefeningen in 1994 een medisch rapport is opgemaakt waarin zou zijn geconcludeerd dat eiser als gevolg van deze oefeningen PTTS heeft opgelopen. Dat Defensie haar zorgplicht jegens eiser zou hebben geschonden door hem na zijn ontslag uit de militaire dienst aan zijn lot over te laten, is – wat hier ook verder van zij – verder niet relevant voor de beoordeling of ten aanzien van de twee stoornissen een dienstverband kan worden aangenomen.
9. Dat de door verweerder ingeschakelde verzekeringsartsen niet onafhankelijk en professioneel zouden zijn, heeft eiser niet nader kunnen concretiseren. De enkele stelling dat zij in opdracht werken van Defensie is daartoe onvoldoende. Eiser heeft ook niet aannemelijk kunnen maken dat de verzekeringsartsen de procedure van de aanvraag van het militair invaliditeitspensioen bewust onnodig hebben vertraagd. Zoals hiervoor overwogen ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat het door de verzekeringsarts in bezwaar aanbieden van de mogelijkheid tot een aanvullende psychische expertise bij eiser kan worden gekwalificeerd als pestgedrag. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het praten over en herbeleven van traumatische ervaringen als pijnlijk kan worden ervaren, ziet zij in het voorstel voor een psychiatrische expertise vooral een inspanning van verweerder om meer duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of er sprake is van een dienstverband ten aanzien van beide stoornissen.
10. Tot slot ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding zoals door eiser is verzocht. Verder gaat het buiten de omvang van dit geding om eventuele rechtspositionele maateregelen te treffen tegen de verzekeringsartsen. In dit geding is enkel de vraag aan de orde of het bestreden besluit juist is genomen.