Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:21768
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,794 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8432
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: H. Ozkuzugudenli),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. A.A. Wubs en mr. M. Schepers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om aan hem huur- en zorgtoeslag over 2022 toe te kennen.
1.1.
Verweerder heeft het verzoek met het besluit van 8 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 december 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij die afwijzing gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 15 juli 2023 een brief van verweerder ontvangen dat hij mogelijk recht heeft op zorgtoeslag over 2022. Deze toeslag kon hij tot en met 1 september 2023 aanvragen. Op 26 september 2023 heeft verweerder eisers aanvraag voor huur- en zorgtoeslag over 2022 ontvangen. Het verzoek is afgewezen omdat het verzoek te laat is ingediend.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser heeft op 15 juli 2023 een brief van verweerder ontvangen dat hij mogelijk recht heeft op zorgtoeslag over 2022. Eiser was van 1 juli 2023 tot en met 6 september 2023 op vakantie en heeft de brief van verweerder pas daarna gezien. Hij kon daarom de zorg- en huurtoeslag niet voor 1 september 2023 aanvragen. Eiser neemt het verweerder kwalijk dat deze brief midden in de zomerperiode is gestuurd. Volgens eiser wist verweerder dat het hier ging om gepensioneerden van buitenlandse afkomst. Het is algemeen bekend dat mensen van buitenlandse afkomst in de zomerperiode voor langere tijd naar hun thuisland gaan. Eiser geeft aan dat zij alles digitaal met automatische afschrijvingen hebben geregeld en het niet noodzakelijk vonden dat de post werd bijgehouden tijdens hun afwezigheid.
3.1.
Volgens eiser is er sprake van een bijzondere omstandigheid. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. In die zaak was de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden van de betrokkene onvoldoende waren meegewogen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) kan een aanvraag voor zorg- en huurtoeslag tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend, tenzij door de inspecteur van de inkomstenbelasting tot een latere datum uitstel is verleend voor het doen van aangifte inkomstenbelasting. Aan eiser en zijn toeslagpartner is geen uitstel tot het indienen van een aangifte verleend. Dat betekent dat de hoofdregel – aanvraag indienen voor 1 september – van toepassing is. Verweerder heeft geen ruimte om van die termijn af te wijken, omdat artikel 15 van de Awir dwingendrechtelijk van aard is. Dit betekent dat er geen mogelijkheid is om na de uiterste datum alsnog een aanvraag te doen.
4.1.
De enige uitzondering hierop vormt een situatie waarin er sprake is van een ernstige onredelijkheid bij toepassing van de bepaling en waarbij er iets heel bijzonders aan de hand is waar de wetgever bij de totstandkoming van de bepaling niet of onvoldoende over heeft nagedacht. In dat geval kan de rechter bepalen dat de wettelijke bepaling buiten toepassing blijft in het geval van de betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser niet gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden waarover de wetgever niet of onvoldoende heeft nagedacht. De wetgever heeft bewust voor deze aanvraagtermijn gekozen. Het automatische gevolg van een ‘harde’ aanvraagtermijn is dat er gevallen zijn die buiten deze termijn vallen. Voor het buiten toepassing laten van artikel 15, eerste lid, van de Awir bestaat dan ook geen aanleiding.
5. Verweerder heeft eiser er met de brief van 15 juli 2023 op geattendeerd dat hij mogelijk aanspraak kan maken op zorgtoeslag. Verweerder is daartoe niet verplicht. Dat de brief voor eiser op een ongunstig moment is verstuurd, is vervelend, maar komt voor eigen rekening en risico van eiser. Hij had dit immers kunnen voorkomen door iemand de post te laten bijhouden tijdens zijn afwezigheid. Op zitting heeft verweerder hierover nog toegelicht dat zij afhankelijk is van de inkomensgegevens die zij van de Belastingdienst ontvangt. Daarna moeten die gegevens nog bekeken worden om te bezien wie geen gebruik maken van toeslagen die daar mogelijk wel recht op hebben. Pas dan kan verweerder deze brieven ter attentie versturen. De zorg- en huurtoeslag worden bovendien op aanvraag toegekend. Het initiatief ligt dus bij de aanvrager. Eiser had zich over het eventuele recht op huur- en zorgtoeslag kunnen laten informeren.
6. Nu eiser zijn aanvraag voor zorg- en huurtoeslag 2022 pas op 20 september 2023
– en dus te laat –, heeft ingediend, heeft verweerder het verzoek van eiser terecht afgewezen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser voor huur- en zorgtoeslag 2022 terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:RBNHO:2023:3079.
Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3070,
Zie artikel 14, eerste lid, van de Awir.