Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:17109
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,745 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16691
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. S.J de Vries).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘familie- of gezin’ bij zijn vader [naam] (referent).
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 maart 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Referent was ook aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat aan het bestreden besluit vooraf ging
4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006 in Eritrea en hij woonde bij en werd verzorgd door zijn moeder. Referent heeft naar eigen zeggen in de periode van februari 2009 tot en met februari 2010 samengewoond met eiser. Eiser was toen drie jaar oud. Referent heeft vanaf februari 2010 tot zijn vertrek uit Eritrea eind 2012 naar Nederland nagenoeg geen contact gehad met eiser. Eiser is in 2019 vertrokken naar Ethiopië met een UNHCR-registratie. Zijn moeder is in Eritrea gebleven bij haar andere familie. Volgens referent had eisers moeder jarenlang de zorgtaken, maar sinds eiser in Ethiopië zit zorgt vooral referent voor eiser. Het is volgens referent namelijk lastig om contact te hebben met eisers moeder. Referent heeft het contact met eiser weer opgepakt in september 2019 vanuit Nederland.
Het bestreden besluit5.De minister stelt in het bestreden besluit dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij referent op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister neemt wel beschermingswaardig gezins- of familieleven aan als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referent. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit.
Heeft de minister een juiste belangenafweging gemaakt?
6. Eiser voert aan dat de belangenafweging in het kader van zijn beroep op artikel 8 van het EVRM niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden en onvoldoende is gemotiveerd. Ten eerste betwist eiser dat hij weinig invulling geeft aan zijn relatie met referent en meent dat de minister hierbij onvoldoende oog heeft gehad voor de situatie waarin zij zich bevinden. Referent heeft immers Eritrea noodgedwongen verlaten waardoor het contact enkel via (video)bellen kon plaatsvinden. Referent stelt dat hij zich al langere tijd probeert te herenigen met eiser, maar dit tot op heden nog niet is gelukt. Ten aanzien van het economisch belang merkt eiser op dat referent inmiddels werk heeft tot en met 15 maart 2025. Daarmee is één van de belangen van de staat, die zwaar weegt in het nadeel van eiser, weggenomen. Verder brengt eiser naar voren dat de minister in het bestreden besluit weliswaar van belang heeft geacht dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven uit te oefenen in Ethiopië en dat referent zich hier kan vestigen, maar niet concreet heeft gemaakt op welke grond dit mogelijk is voor referent en op welke informatie dit is gebaseerd. Tot slot wijst eiser erop dat bij de weging van het belang van eiser als kind onvoldoende is uitgegaan van de situatie vanuit zijn perspectief en te veel vanuit het perspectief van referent. Dat het méér in het belang van eiser als kind zou zijn om in een vertrouwde omgeving zónder biologische ouders te zijn, dan herenigd te worden met zijn biologische vader, die bekend is met de Nederlandse cultuur en hem daarin wegwijs kan maken, wordt volgens eiser onvoldoende gemotiveerd.
Toetsingsintensiteit
6.1
De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister een beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM heeft aangenomen. Daarnaast is niet in geschil is dat de minister in de belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar heeft meegenomen. De beoordeling door de rechtbank concentreert zich daarom op de gemaakte belangenafweging. De bestuursrechter moet daarbij toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De uitkomst van de door de minister gemaakte belangenafweging moet de bestuursrechter enigszins terughoudend toetsen.
De belangenafweging
6.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister alle omstandigheden in samenhang heeft beoordeeld en niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser en referent. Hiervoor is het volgende van belang.
6.2.1
Ten eerste mocht de minister in het nadeel van eiser wegen dat hij weinig invulling geeft aan zijn relatie met referent en dat zij geen intensief gezinsleven hebben gehad. Referent heeft in Eritrea vanaf februari 2010 tot aan zijn vertrek uit Eritrea eind 2012 geen contact gehad met eiser. Referent heeft tijdens zijn verblijf in Nederland vanaf september 2019 weer (telefonisch) contact met eiser. Eisers stellingen, dat referent twee keer per week contact heeft met eiser en geld naar hem stuurt en dat het buiten zijn macht lag om eerder invulling te geven aan het gezinsleven, heeft hij niet onderbouwd. Het is daarom niet gebleken dat referent een grote rol speelt in het gezinsleven van eiser. De rechtbank volgt verder niet de stelling van referent tijdens de zitting dat de zorg van eiser vanaf 2019 van de moeder is verschoven naar referent. Dat eisers moeder nauwelijks een rol speelt in eisers leven is namelijk ook niet onderbouwd.
6.2.2
De minister heeft zich daarnaast niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het economisch belang voor de Nederlandse overheid in het nadeel van eiser weegt. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister dit economisch belang deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft in het bestreden besluit namelijk niet ten onrechte meegewogen dat het niet de bedoeling is dat de overheid betaalt voor de vestiging van een gezinslid in Nederland. Dit is in het geval van eiser relevant, omdat referent in de bezwaarfase uitsluitend een tijdelijke dienstbetrekking als koerier heeft gehad. Bovendien had referent vanaf 1 december 2022 een uitkering op grond van de Toeslagenwet. Omdat het contract van referent slechts zes maanden duurde, zijn de middelen van bestaan – in het licht van de eerdere Toeslagenwetuitkering – door de minister niet als duurzaam aangemerkt. De minister heeft kunnen concluderen dat referent daarom niet in de kosten van eiser kan voorzien als eiser in Nederland komt wonen. Hieraan doet niet af dat de referent tijdens de beroepsprocedure een nieuwe tijdelijk baan heeft gekregen en ter onderbouwing een arbeidsovereenkomst van 14 maart 2024, een werkgeversverklaring en een loonstrook heeft overgelegd. In reguliere vreemdelingenzaken toetst de rechter het besluit van het bestuursorgaan aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden die zich voordeden op het moment van het nemen van het besluit. Dit houdt in dat stukken die na de datum van het bestreden besluit zijn opgesteld en die zien op feiten die zich hebben voorgedaan na dat besluit, niet bij de beoordeling door de rechtbank kunnen worden betrokken. De minister heeft daarnaast het belang van de bescherming van de arbeidsmarkt en de door de overheid betaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur bij de beoordeling mogen betrekken.
6.2.3.
De minister mocht verder in het nadeel van eiser wegen dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven uit te oefenen in Ethiopië. Tijdens de zitting heeft referent erkend dat hij naar Ethiopië kan reizen. Hoewel dat volgens referent naar eigen zeggen niet geheel zonder risico is en hij aanvoert dat hij daar minder voor eiser kan betekenen, bestaat er voor referent geen objectieve belemmering.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen mvv krijgt om in Nederland te komen wonen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid vanmr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Eiser legt in dit verband een werkgeversverklaring over, een arbeidsovereenkomst en een loonstrook.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3351. Zie ook de uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379.
Bestreden besluit, pagina 5.