Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:23690
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,024 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35455
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, staatssecretaris
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 16 augustus 2021 een (opvolgende) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 2 november 2023 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
1.1.
Eiser heeft op 21 november 2023 beroepsgronden ingediend. Op 30 november 2023 en 30 januari 2024 heeft hij aanvullende beroepsgronden ingediend.
1.2.
De staatssecretaris heeft op 30 januari 2024 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 februari 2024, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer NL23.35456) hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Idemudia als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, waarbij ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De opvolgende asielaanvraag
4. Eiser legt aan zijn (opvolgende) asielaanvraag het volgende ten grondslag. Uit het rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) van 30 oktober 2019 volgt dat eiser niet in staat is (geweest) om compleet, coherent en consistent te verklaren over zijn asielrelaas. Ook heeft de staatssecretaris onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader dat volgt uit dit rapport. Bovendien worden volgens eiser onderdelen van zijn asielrelaas met het iMMO-rapport onderbouwd. De staatssecretaris had voorafgaand aan het gehoor in de eerste asielprocedure medisch advies moeten vragen. Daarnaast overlegt eiser een ‘Attestation of Birth’ en een ‘Affidavit’. Deze stukken zijn volgens hem niet, althans onvoldoende, bij de beoordeling van de eerste asielaanvraag betrokken. Tot slot voert eiser aan dat hij een relatie heeft met een Nederlandse man. Ter onderbouwing daarvan overlegt hij een verklaring van deze man en enkele foto’s. Deze nieuwe feiten en omstandigheden maken, in samenhang met dat wat eiser al naar voren heeft gebracht en overgelegd in de eerste asielprocedure, volgens eiser dat zijn seksuele geaardheid geloofwaardig moet worden geacht.
5. Eiser is gehoord over zijn opvolgende asielaanvraag. Hij heeft verklaard dat hij opnieuw asiel heeft aangevraagd vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Hij heeft een relatie met een Nederlandse man en (meer) contact met andere homoseksuelen.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst.
Homoseksuele geaardheid.
7. De staatssecretaris stelt zich hierover op het standpunt dat eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht. Eisers identiteit wordt niet geloofwaardig geacht. Dat geldt ook voor eisers homoseksuele geaardheid. De staatssecretaris heeft het (deels) geloofwaardig geachte relevante element verder beoordeeld. Hij heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat uit de door eiser afgelegde verklaringen niet blijkt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De staatssecretaris concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, omdat eisers asielaanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Omdat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, krijgt hij gelet op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Beoordeling
Strijd met de goede procesorde
8. Eiser heeft op 30 januari 2024 aanvullende gronden van beroep ingediend. Daar heeft hij ook een foto van een ‘Attestation of Birth’ en een ‘Affidavit’ bijgevoegd, alsmede een kopie van een NIN (National Identification Number) Slip. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij beschikt over een origineel exemplaar van zijn ‘Attestation of Birth’, dat hij een paspoort heeft aangevraagd bij de Nigeriaanse ambassade en dat hij in afwachting van zijn paspoort een goedgekeurde NIN Slip als identificerend document heeft ontvangen. Hierdoor kunnen volgens eiser de overwegingen van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid van zijn identiteit niet langer stand houden.
8.1.
De staatssecretaris heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat voornoemde stukken te laat zijn ingediend, nu eiser de stukken één dag voor de zitting heeft ingediend, terwijl hij al vanaf zijn eerste asielaanvraag weet dat de staatssecretaris deze stukken wenst te ontvangen. Bovendien moeten deze stukken volgens de staatssecretaris op echtheid worden onderzocht.
8.2.
De rechtbank overweegt dat ook na afloop van de beroepstermijn nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond kunnen worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als die nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:379).
8.3.
De rechtbank ziet aanleiding om het ‘Attestation of Birth’, ‘Affidavit’ en NIN Slip buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Zij volgt de staatssecretaris in het tijdens de zitting ingenomen standpunt dat het betrekken van deze stukken tot ontoelaatbare vertraging zal leiden, omdat deze door de staatssecretaris op echtheid moeten worden onderzocht. Bovendien bevat het ‘Attestation of Birth’ een datumstempel van juli 2023 en ook het ‘Affidavit’ is ondertekend in juli 2023. Niet valt daarom in te zien dat eiser deze stukken niet in een eerder stadium had kunnen overleggen of dat hij zich in een eerder stadium met de stukken tot de Nigeriaanse ambassade had kunnen wenden voor het verkrijgen van een NIN, zodat hij ook dat document in een eerder stadium had kunnen overleggen.
Het iMMO-rapport van 30 oktober 2019
9. Eiser voert aan dat de eerdere overwegingen van de staatssecretaris en de eerdere uitspraak van deze rechtbank geen stand kunnen houden, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3615). De staatssecretaris is in het bestreden besluit ten onrechte niet uitgegaan van de nieuwe lijn die in deze uitspraak staat ten aanzien van iMMO-rapportages. Uit het iMMO-rapport blijkt dat eisers fysieke en psychische klachten zeer consistent en typerend zijn voor het asielrelaas van eiser en daarnaast blijkt daaruit dat eisers medische problematiek zeker heeft geïnterfereerd met zijn vermogen om te kunnen verklaren. De staatssecretaris kan zich dan zonder nadere onderbouwing niet op het standpunt stellen dat eiser op hoofdlijnen zou hebben moeten kunnen verklaren. Als van het iMMO niet kan worden verwacht dat zij kunnen onderbouwen en aangeven over welke onderdelen van het asielrelaas iemand wel of niet kan verklaren dan kan de staatssecretaris al helemaal niet stellen dat eiser op hoofdlijnen moet kunnen verklaren. Het ligt volgens eiser op de weg van de staatssecretaris om het iMMO-rapport in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling opnieuw mee te wegen volgens voornoemde nieuwe jurisprudentielijn. Eiser wijst daarbij op een uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2713). Ook wijst hij op het arrest FMS e.a. (Hof van Justitie van de Europese Unie, 14 mei 2020, C-924-19 PPU en C-925/19 PPU, ECLI:EU:C:2020:367), waaruit volgens hem blijkt dat nieuwe jurisprudentie een ‘nieuw element of bevinding’ is in de zin van de Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn).
9.1.
In de door eiser aangehaalde uitspraak van 7 december 2022 heeft de Afdeling overwogen dat uit haar uitspraak van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2085) volgt dat de staatssecretaris niet aan het iMMO-rapport voorbij kan gaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen, als op zorgvuldige en begrijpelijke wijze is gesteld dat de medische problematiek van de vreemdeling tijdens de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Daartoe is wel vereist dat uit het iMMO-rapport blijkt hoe het iMMO heeft vastgesteld dat de vreemdeling niet in staat was om te verklaren. Het iMMO-rapport moet daarvoor vermelden welke medische gegevens uit de periode van de gehoren zijn betrokken en of het onderzoeksformulier van de FMMU daar deel van uitmaakte. Verder moet uit het iMMO-rapport blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren invloed heeft gehad. Verder is vereist dat de conclusie over het vermogen om te verklaren niet mede is gebaseerd op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Als de staatssecretaris geen medisch deskundige inschakelt en de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie aldus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, dan zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is. De Afdeling zag zich vervolgens voor de vraag gesteld of het onderdelenvereiste nog wel houdbaar is. De Afdeling heeft deze vraag in haar uitspraak van 7 december 2022 negatief beantwoord. Zij is teruggekomen van wat in de uitspraak van 27 juni 2018 over het onderdelenvereiste is overwogen. Niet langer geldt volgens de Afdeling als uitgangspunt dat uit het iMMO-rapport moet blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, invloed heeft gehad.
9.2.
Uit de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022 volgt (dus) dat de staatssecretaris niet langer aan het iMMO-rapport voorbij kan gaan, enkel met als motivering dat daaruit niet blijkt op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, invloed heeft gehad.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij in de eerste asielprocedure van eiser niet aan het iMMO-rapport voorbij is gegaan, maar dat hij gemotiveerd heeft waarom het asielrelaas van eiser, ondanks het iMMO-rapport, niet geloofwaardig is geacht. In zoverre treft de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022, alsook de verwijzing naar het arrest FMS e.a., geen doel. Eiser heeft in de beroepsfase van de eerste asielprocedure de gelegenheid gekregen om een iMMO-rapport in te brengen. Eiser heeft het iMMO-rapport op 31 oktober 2019 ingebracht, waarna de staatssecretaris daarop in een verweerschrift van 24 januari 2020 heeft gereageerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusies uit het iMMO-rapport betrekking hebben op het vermogen om over details te verklaren, terwijl eisers verklaringen over (onder andere) zijn seksuele gerichtheid op hoofdlijnen tegenstrijdig zijn. Dit standpunt heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in een uitspraak van 17 maart 2020 gevolgd. Deze uitspraak is op 1 oktober 2020 door de Afdeling bevestigd.
Conclusie
13. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de staatssecretaris op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
14. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,00 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de staatssecretaris op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van 't Klooster, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.M. Bankers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Beoordeling
9.4.
In onderhavige procedure ligt ter beoordeling voor of eiser zijn gestelde homoseksuele geaardheid, anders dan in de vorige asielprocedure, nu wel aannemelijk heeft gemaakt. Het gaat daarbij om een beoordeling door de staatssecretaris van naar voren gebrachte nieuwe informatie of stukken in relatie tot het eerder naar voren gebrachte asielrelaas. De staatssecretaris heeft daarbij terecht geen aanleiding gezien om inhoudelijk in te gaan op het iMMO-rapport van 30 oktober 2019, omdat dit rapport – zoals uit bovenstaande overwegingen blijkt – niet nieuw is, maar al bij de beoordeling van de eerdere asielaanvraag van eiser is betrokken.
9.5.
Eisers verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 28 september 2022 kan hem evenmin baten. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat nieuwe elementen en bevindingen ook invloed kunnen hebben op de wijze waarop de gegevens uit de voorgaande procedure moeten worden beoordeeld. Nieuwe elementen en bevindingen in combinatie met de gegevens uit de voorgaande procedure vormen volgens de Afdeling immers een nieuw samenstel van gegevens, waarover de staatssecretaris zich nog niet eerder heeft uitgelaten. Het in rechte vaststaande eerdere geloofwaardigheidsstandpunt van de staatssecretaris gaat niet automatisch over dat samenstel van gegevens, omdat de combinatie van deze gegevens weer nieuwe bevindingen kan opleveren. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris nieuwe elementen en bevindingen moet beoordelen in combinatie met de gegevens uit de voorgaande procedure, waarbij de staatssecretaris niet de gegevens uit de voorgaande procedure op zichzelf opnieuw moet beoordelen. Het gaat erom dat de nieuwe elementen en bevindingen, in combinatie met de gegevens uit de voorgaande procedure, een nieuw samenstel van gegevens vormen wat mogelijk tot een ander geloofwaardigheidsoordeel kan leiden. Zoals hierboven is overwogen, heeft de staatssecretaris het iMMO-rapport van 30 oktober 2019 reeds inhoudelijk bij de vorige asielprocedure van eiser betrokken, zodat van een nieuw element of bevinding geen sprake is en het iMMO-rapport ook niet leidt tot een nieuw samenstel van gegevens.
Verzoek om bestuurlijke heroverweging
10. In het verlengde van het voorgaande heeft eiser zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat in zijn opvolgende asielaanvraag ook een verzoek om bestuurlijke heroverweging is vervat.
10.1.
De Afdeling heeft in een uitspraak van 9 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:37), onder verwijzing naar een uitspraak van 7 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1430), overwogen dat een verzoek om bestuurlijke heroverweging moet worden onderscheiden van een opvolgende asielaanvraag. Een verzoek om bestuurlijke heroverweging doet zich volgens de Afdeling voor als een vreemdeling betoogt dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht moet worden ingewilligd.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de opvolgende asielaanvraag van eiser terecht niet ook heeft aangemerkt als een verzoek om bestuurlijke heroverweging. Eiser heeft in de toelichting bij zijn opvolgende asielaanvraag opgenomen dat de door hem aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden in samenhang met al hetgeen eiser al naar voren heeft gebracht en heeft overgelegd gedurende zijn eerste asielprocedure maken dat zijn seksuele geaardheid geloofwaardig moet worden geacht. Uit de zienswijze en de gronden van beroep kan weliswaar worden afgeleid dat eiser van mening is dat de eerdere beoordeling van zijn asielaanvraag niet juist is geweest, omdat het iMMO-rapport op onjuiste wijze bij deze beoordeling is betrokken. Hij stelt zich echter (ook) op het standpunt dat in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van de opvolgende asielaanvraag dit iMMO-rapport opnieuw en volgens de nieuwe rechtspraak moet worden meegewogen. De staatssecretaris heeft hier terecht niet uit afgeleid dat eiser een asielaanvraag wenste met terugwerkende kracht tot de datum van zijn eerste asielaanvraag.
Het referentiekader van eiser
11. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de staatssecretaris zowel bij het gehoor als bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Zo heeft de staatssecretaris tijdens het gehoor niet met voorbeelden gewerkt en weinig doorgevraagd, terwijl hem bekend is dat eiser kampt met medische problematiek, laag opgeleid is, een laag denkniveau, een beperkte woordenschat heeft, zich zaken niet goed kan herinneren en ook een laag concentratieniveau heeft. Hij is niet in staat om zaken uitgebreid en kleurrijk te omschrijven. Tijdens de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij is gehoord in een andere taal dan zijn moedertaal, hetgeen ook een reden is waarom hij zich niet goed kon uiten.
12. Bij de beoordeling heeft de staatssecretaris volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn referentiekader, nu eiser heeft aangegeven dat het voor hem moeilijk is om gevoelens onder woorden te brengen nu hij slechts over een beperkte woordenschat beschikt. Tijdens de zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat het met name zijn lage denkniveau is dat de staatssecretaris onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken.
12.1.
In de uitspraak van 26 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1622) heeft de Afdeling overwogen dat in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2073), onder 1.1, staat dat de staatssecretaris in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Dat blijkt volgens de Afdeling ook uit Werkinstructie 2019/17, waarin staat dat de staatssecretaris rekening moet houden met het referentiekader tijdens het gehoor en de geloofwaardigheidsbeoordeling van homoseksualiteit als asielmotief.
12.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit het verslag van het gehoor van 7 juli 2023 blijkt dat de gehoormedewerker tijdens het gehoor zorgvuldig heeft gehandeld en rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Zoals de staatssecretaris in het bestreden besluit ook heeft vermeld, is voorafgaand aan het gehoor een medisch advies opgevraagd en is tijdens het gehoor kenbaar rekening gehouden met de bevindingen uit dit advies. Aan eiser is voorgehouden dat uit het advies blijkt dat hij een medische klacht heeft waarbij hij niet meer kan zitten zonder pijn. Eiser is vervolgens medegedeeld dat hij altijd kan en mag gaan staan en dat hij het kan aangeven wanneer het niet meer gaat. Ook is aan eiser voorgehouden dat uit het advies blijkt dat hij een psychische aandoening heeft en een verminderd geheugen, waarna hem is medegedeeld dat hiermee rekening zal worden gehouden. Tot slot is aan eiser voorgehouden dat uit het advies blijkt dat hij last heeft van oplopende vermoeidheid, waarna hem is gezegd dat regelmatig een pauze zal worden ingelast en dat eiser het ook zelf kan aangeven wanneer hij behoefte heeft aan een pauze. Eiser heeft verklaard dat hij zich lichamelijk en geestelijk in staat achtte om het gehoor te laten plaatsvinden. Tijdens het gehoor heeft de gehoormedewerker, toen duidelijk werd dat eiser last kreeg van zijn pijnklacht, een pauze ingelast. Bovendien heeft de gehoormedewerker op verschillende momenten om verduidelijking gevraagd. Zo heeft zij, daar waar het gaat om de liefdesrelaties die eiser stelt te hebben gehad en om hoe eiser zijn gestelde geaardheid in Nigeria zou willen laten zien, aan eiser voorgehouden dat hij geen antwoord geeft op de vraag die hem wordt gesteld. Ook heeft de gehoormedewerker herhaaldelijk vragen gesteld om helder te krijgen of zij eiser goed heeft begrepen. Zo heeft zij bijvoorbeeld eerst aan eiser gevraagd wat het met hem zou doen als hij zijn gevoelens moet verbergen.
Beoordeling
Vervolgens heeft zij gevraagd of zij het goed begrijpt dat, als het voor eiser mogelijk zou zijn om in Nigeria openlijk uit te komen voor zijn gestelde geaardheid zonder daardoor problemen te krijgen, hij dat zou doen. Daarna heeft zij nog gevraagd of zij het goed begrijpt dat eiser zijn gestelde geaardheid wel zou willen laten zien in Nigeria. De gehoormedewerker heeft daarnaast verduidelijking gegeven op het moment dat eiser de vraag niet begreep. Zo heeft zij bijvoorbeeld toegelicht dat als eiser wordt gevraagd naar zijn identiteit, wordt gevraagd naar wie hij is. Aan het einde van het gehoor heeft de gehoormedewerker gevraagd of eiser op- en/of aanmerkingen heeft op haar werkwijze of op die van de tolk. Eiser heeft daarop verklaard dat dit niet het geval is. De staatssecretaris kan verder worden gevolgd in het standpunt dat hij in het verweerschrift heeft ingenomen dat de vragen die eiser zijn gesteld simpel zijn geformuleerd en dat deze zien op eisers gevoelens en gedachtes. Zo heeft de gehoormedewerker bijvoorbeeld aan eiser gevraagd om te beschrijven wat hij voelt voor [naam] en om, gelet op het antwoord dat eiser dan geeft, toe te lichten waarom hij zo van [naam] houdt. Ook heeft zij gevraagd om het karakter van [naam] te beschrijven, met daarbij de toelichting dat het gaat om zijn eigenschappen. Uit de vragen die zijn gesteld en de antwoorden die eiser daarop heeft gegeven kan niet worden afgeleid dat eiser de vraag niet heeft begrepen of dat hij werd belemmerd in het geven van antwoorden. De staatssecretaris heeft zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat het op de weg van eiser had gelegen om het in de correcties en aanvullingen op het gehoor aan te geven, indien hij door de taal waarin hij is gehoord is belemmerd in het geven van antwoorden.
12.3.
De rechtbank is echter van oordeel dat uit het bestreden besluit, waarvan het voornemen onderdeel uitmaakt, onvoldoende kenbaar blijkt dat de staatssecretaris het referentiekader van eiser heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. De staatssecretaris wijst in de besluitvorming en ook ter zitting met name op omstandigheden die blijk geven van zorgvuldig handelen tijdens het gehoor, zoals hierboven ook is geoordeeld, maar daaruit blijkt nog niet dat hij ook voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader bij de volledige besluitvorming, waaronder de geloofwaardigheidsbeoordeling in het bestreden besluit. De enkele verwijzing naar de overweging in het bestreden besluit dat aan eiser geen details zijn tegengeworpen, maar dat hij op hoofdlijnen zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft kunnen maken, acht de rechtbank onvoldoende. De staatssecretaris heeft in zowel het voornemen als het bestreden besluit niet inzichtelijk gemaakt van welk referentiekader hij precies uitgaat. Gelet op de overweging in het verweerschrift dat de vragen die eiser zijn gesteld, simpel zijn geformuleerd, lijkt de staatssecretaris uit te gaan van het verminderde intelligentieniveau waar het iMMO in het rapport van 30 oktober 2019 melding van maakt. In dat geval had het op de weg van de staatssecretaris gelegen om bij de tegenwerpingen in de besluitvorming kenbaar te betrekken dat en waarom van eiser, ondanks zijn verminderde intelligentie, toch meer mocht worden verwacht. Zo had het bijvoorbeeld op de weg van de staatssecretaris gelegen om bij de tegenwerpingen over de gestelde relatie van eiser met [naam] en de verandering ten aanzien van eisers gestelde geaardheid, kenbaar te betrekken dat en waarom, ondanks eisers verminderde intelligentie en de beperking om gevoelens goed onder woorden te kunnen brengen die daarmee volgens eiser samenhangt, toch van hem mag worden verwacht dat hij met diepgang kan verklaren over zijn gevoelens voor [naam] en dat eiser inzicht kan geven op welke manier de toegenomen contacten met andere homoseksuelen hebben bijgedragen aan de innerlijke beleving van zijn geaardheid. Dat heeft de staatssecretaris op dit moment niet dan wel onvoldoende gedaan.
12.4.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Omdat het geconstateerde gebrek de gehele besluitvorming en de daarin vervatte tegenwerpingen beïnvloedt, bestaat er voor de rechtbank op dit moment geen aanleiding om de geloofwaardigheidsbeoordeling op basis van wat eiser naar voren heeft gebracht in beroep verder te beoordelen. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de staatssecretaris op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank geeft de staatssecretaris daarbij in overweging om de door eiser op 30 januari 2024 overgelegde stukken met betrekking tot zijn identiteit, waarover hij tijdens de zitting heeft verklaard dat hij in het bezit is van de originelen, bij de besluitvorming te betrekken.