Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:16368
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,919 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35037
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit waarin zijn asielaanvraag is ingewilligd. Eiser is van Eritrese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. Hij heeft op 27 april 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 13 oktober 2023 deze aanvraag in de verlengde procedure ingewilligd, maar heeft daarbij [geboortedatum 2] 2002 als geboortedatum aangehouden.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de verblijfsvergunning van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij uitgaat van de leeftijdsregistratie van eiser uit Malta. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
4. Eiser is het Schengengebied binnengekomen via Malta en heeft in Nederland asiel aangevraagd. Hij heeft in Ter Apel tegenover de vreemdelingenpolitie (AVIM) verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2006. Eiser kon tijdens de aanmelding in Ter Apel geen documenten overleggen om zijn leeftijd te onderbouwen. De staatssecretaris heeft hem daarom aangemerkt als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Op 27 april 2022 hebben medewerkers van de AVIM eiser gehoord en geschouwd en hebben in het proces-verbaal aangegeven twijfel te hebben over de door eiser opgegeven leeftijd. De gehoormedewerker heeft daarom tijdens het gehoor in de aanmeldfase op 30 april 2022 een tweede schouw verricht. Ook zij kwam tot de conclusie dat twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. Naar aanleiding daarvan heeft de staatssecretaris informatie opgevraagd in Malta, waar eiser op een eerder moment is ingereisd. Daar stond zijn geboortedatum geregistreerd als [geboortedatum 2] 2002. De door eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 22 juli 2022 overlegde geboorteakte is door Bureau Documenten bevonden als met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt. De staatssecretaris heeft vervolgens de geboortedatum overgenomen zoals die in Malta stond geregistreerd.
Procesbelang
5. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiser procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep. Om procesbelang te kunnen aannemen, moet beoordeeld worden of eiser met het beroep in een gunstigere positie kan komen. Eiser heeft de door hem gevraagde asielvergunning gekregen, zodat hij in zoverre niet in een gunstigere positie kan komen. Eiser heeft echter aangevoerd dat hij procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep, omdat de vaststelling dat eiser bij zijn asielaanvraag minderjarig was van belang is bij een verzoek tot gezinshereniging. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarmee inderdaad procesbelang heeft. Daarom gaat de rechtbank over tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Had de staatssecretaris mogen twijfelen aan de door eiser opgegeven leeftijd?
6. Eiser betoogt dat de staatssecretaris niet motiveert welke uiterlijke kenmerken tot de twijfel over de opgegeven leeftijd van eiser hebben geleid. Uit het dossier kan volgens eiser niet worden afgeleid op basis van welke verklaringen en welk gedrag twijfel heeft kunnen ontstaan. De door de staatssecretaris beschreven kenmerken kunnen volgens eiser net zo goed bij minderjarigen voorkomen. Een voor Nederlandse begrippen ‘terugtrekkende haargrens’ wordt volgens eiser vaak gezien bij mensen uit Eritrea, fronsrimpels kunnen bij tieners al ontstaan en worden beïnvloed door (zware) leefomstandigheden, stress en voeding/vocht. Dat een 16-jarige jongen een zichtbare adamsappel heeft is volgens eiser niet vreemd. Eiser betoogt dat de overige lichamelijke kenmerken, zoals bijvoorbeeld het ‘beginnend donzig snorretje’, het ontbreken van rimpels rond de ogen en mond en het ontbreken van grijze haren, juist wijzen op minderjarigheid. Eiser haalt rechtspraak aan waaruit volgens hem blijkt dat de resultaten van een schouw door de AVIM of de IND niet altijd als inzichtelijk en concludent kunnen worden beschouwd.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom twijfel bestond over de opgegeven leeftijd van eiser. De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat de staatssecretaris via de juiste werkwijze tot zijn conclusie is gekomen. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 november 2022 heeft de staatssecretaris de redelijkheid van het door de staatssecretaris in deze zaak gehanteerde beleid beoordeeld. De leeftijdsschouw is gebaseerd op Werkinstructie 2023/6 en dat beleid wijkt niet in relevante zin af van het door de Afdeling beoordeelde beleid. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris terecht tot de door hem getrokken conclusie is gekomen. In de eerste plaats blijkt uit het proces-verbaal van de schouw bij de AVIM en het proces-verbaal van het aanmeldgehoor bij de IND dat de AVIM en de IND op nagenoeg dezelfde gronden tot de conclusie komen dat twijfel bestaat over de in Nederland opgegeven leeftijd van eiser. Uit beide schouwen volgt dat eiser fronsrimpels heeft op zijn voorhoofd, een terugwijkende haargrens heeft, een zichtbare adamsappel heeft en een beginnend donzig/vlassig snorretje. Er was volgens beide onderzoeken geen sprake van rimpels om de ogen, groeven rond de mondhoeken of grijze haren. Daarbij is in het proces-verbaal van het gehoor bij de AVIM nog vermeld dat eiser ten tijde van die schouw een vlassige baard had. Ook volgt uit beide onderzoeken dat eiser een rustige en meewerkende houding heeft. De medewerker van de IND merkt nog op dat eiser een actieve luisterhouding heeft en vriendelijk overkomt. De kleine verschillen in deze waarnemingen zijn niet van zodanige aard dat de conclusies van deze schouwen niet inzichtelijk of concludent zijn. De rechtbank ziet in het betoog van eiser dat veel van deze kenmerken ook bij minderjarige kunnen voorkomen verder geen reden voor het oordeel dat de staatssecretaris op grond van beide schouwen niet had mogen twijfelen aan de opgegeven leeftijd van eiser. Eiser geeft zelf immers ook aan dat de hiervoor omschreven kenmerken zowel bij minder- als bij meerderjarigen kunnen voorkomen. Daarbij benadrukt de rechtbank dat het hier gaat om een conclusie tot twijfel en niet over de conclusie dat eiser evident meerderjarig zou zijn. De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiser dat de gronden waarop de AVIM en de IND tot twijfel over zijn leeftijd hebben geconcludeerd niet uit het dossier voortvloeien, nu uit beide hiervoor bedoelde gehoren duidelijk blijkt op welke gronden die twijfel is ontstaan. Nu de staatssecretaris terecht tot de conclusie is gekomen dat twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd, mocht de staatssecretaris, zoals ook in zijn Werkinstructie 2023/6 staat vermeld, een onderzoek opstarten. Daarbij is terecht gekeken aan de leeftijdsregistratie die in een andere lidstaat is genoteerd. Partijen verschillen echter van opvatting of de staatssecretaris van de leeftijdsregistratie in Malta mocht uitgaan.
Mag de staatssecretaris uitgaan van de leeftijdsregistratie uit Malta?
7. Eiser betoogt dat de staatssecretaris niet had mogen uitgaan van de geboortedatum die in Malta staat geregistreerd. Volgens eiser is hij op [geboortedatum 1] 2006 geboren en was hij ten tijde van aankomst in Malta minderjarig. De staatssecretaris heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom van de meerderjarigheid van eiser wordt uitgegaan in het bestreden besluit. Hij verwijst daarbij naar Werkinstructie 2023/6 waaruit dit volgens hem blijkt. Eiser voert daartoe aan dat het leeftijdsonderzoek in Malta onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het onderzoek naar de leeftijd van eiser in Malta is volgens eiser niet gebaseerd op zijn eigen verklaringen, maar door een onderzoek van de Maltese autoriteiten toen eiser daar in detentie verkeerde. Hij wijst erop dat uit het onderzoeksverslag van de Maltese autoriteiten volgt dat de conclusie dat eiser meerderjarig was ten tijde van de aanvraag in Malta niet is gebaseerd op medisch onderzoek maar op basis van een interview.
Volgens eiser kan de conclusie van het leeftijdsonderzoek door de Maltese autoriteiten om deze reden niet onverkort door de staatssecretaris worden overgenomen.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Het besluit is genomen in strijd met het in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en draagt de rechtbank de staatssecretaris op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover er daarin van wordt uitgegaan dat eiser meerderjarig is;
draagt de staatssecretaris op om binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw beluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3147.
ECLI:NL:RVS:2022:3147, rechtsoverweging (r.o.) 4.