Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:10832
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,045 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.48574 (beroep)
NL24.48575 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, van Eritrese nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. G. Palanciyan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook beoordeelt de rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 december 2024 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
1.3.
De rechtbank heeft beroep op 17 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B. Habteessias als tolk in de taal Tigrinya en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Ook beoordeelt zij eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening. Verweerder neemt in beginsel een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
5. Eiser heeft op 5 juni 2024 in Polen een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft daarom op 13 augustus 2024 bij de autoriteiten van Polen een verzoek om terugname gedaan. De autoriteiten van Polen hebben dit verzoek op 15 augustus 2024 aanvaard. De verantwoordelijkheid van Polen voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
Gestelde minderjarigheid
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat eiser meerderjarig is. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2008, en niet op [geboortedatum 2] 2000 zoals verweerder stelt. Eiser wil zijn doopakte laten opsturen door zijn moeder om zijn minderjarigheid te bewijzen. Verweerder had haar besluitvorming moeten uitstellen in afwachting van deze doopakte.
6.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat zij mocht uitgaan van [geboortedatum 2] 2000 als geboortedatum. De AVIM heeft eiser beoordeeld als evident meerderjarig, de gehoormedewerker van de IND heeft geconcludeerd tot twijfel over eisers leeftijd. In zo’n geval moet verweerder nader onderzoek doen naar de leeftijd van een vreemdeling. Dit doet verweerder in de eerste plaats door de gegevens op te vragen waarmee een vreemdeling in een andere lidstaat geregistreerd staat. In het geval dat een vreemdeling in een andere lidstaat geregistreerd staat met een geboortedatum waaruit volgt dat hij meerderjarig is, dan mag verweerder deze geboortedatum overnemen. Eiser staat in zowel Duitsland als Polen geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2000. Verweerder heeft daarom deze geboortedatum overgenomen. Verweerder was niet gehouden haar besluitvorming aan te houden totdat eiser zijn doopakte had ontvangen. Verweerder wijst in dit kader op de uitspraken van de Afdeling van 4 juni 2021, 26 november 2021 en 2 november 2022.
6.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder zich beroept op verouderde uitspraken van de Afdeling. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 bepaald dat verweerder niet zonder meer een meerderjarige leeftijd mag overnemen die in een andere lidstaat geregistreerd staat. Verweerder mag zo’n meerderjarige leeftijdsregistratie wel bij het beoordelen van de leeftijd betrekken en mag daaraan ook gewicht toekennen. Zij zal wel steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht zij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal verweerder zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal verweerder hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom zij daaraan al dan niet een bepaalde waarde hecht. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Verweerder zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Verweerder moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken, waaronder ook officiële en onofficiële identificerende documenten vallen.
6.3.
De rechtbank overweegt dat verweerder dit toetsingskader niet expliciet heeft opgenomen in het bestreden besluit. Uit het bestreden besluit volgt echter dat zij dit toetsingskader feitelijk wel heeft gehanteerd bij haar besluitvorming, door alle feiten en omstandigheden die ten tijde van het bestreden besluit bekend waren daarbij te betrekken en haar weging hiervan te motiveren. Zo heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de afwijkende leeftijdsregistraties in Polen en Duitsland. Eiser heeft verklaard dat deze registraties tot stand zijn gekomen aan de hand van een foto op zijn telefoon van een paspoort, dat volgens hem vals is en een onjuiste geboortedatum bevat. Deze verklaring heeft eiser niet onderbouwd. Verweerder heeft verder terecht betrokken dat eiser zijn gestelde minderjarige geboortedatum ten tijde van het bestreden besluit ook niet had onderbouwd met documenten. Verweerder was verder ook niet gehouden eisers doopakte af te wachten, waarover eiser tijdens het aanmeldgehoor van zes maanden daarvóór al had verklaard dat hij van plan was deze op te laten sturen. Gelet op deze omstandigheden mocht verweerder de in Polen en Duitsland geregistreerde geboortedatum overnemen.
6.4.
In beroep heeft eiser toch nog een doopakte overgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting hierover een standpunt ingenomen. De rechtbank is van oordeel dat (de gemachtigde van) verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de doopakte geen officieel geboortebewijs of identificerend document is en dat deze zonder andere bewijsstukken onvoldoende is om een geboortedatum te onderbouwen. Daarnaast is op de doopakte geen pasfoto te zien en is de doopakte ook niet afgegeven door de Eritrese autoriteiten.
6.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder ten aanzien van Polen niet langer kan uitgaan van het vertrouwensbeginsel. Het is niet zeker dat zijn asielprocedure weer hervat zal worden in Polen. Eiser wijst in dit op het AIDA-rapport van april 2023 en een e-mail van de HFHR van 21 november 2022. Ook lopen Dublinterugkeerders in Polen het risico om in bewaring gezet te worden. Eiser wijst er daarnaast op dat de Poolse opvangcentra overbelast worden door grote getalen Oekraïense vluchtelingen.
7.1.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt in dat verweerder erop mag vertrouwen dat lidstaten van de Europese Unie vreemdelingen in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het recht van de Europese Unie zal behandelen. Het is in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
7.2.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling bij uitspraak van 4 september 2024 heeft bepaald dat verweerder ten aanzien van Polen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling is daarbij expliciet ingegaan op de opvangomstandigheden en de toegang tot de asielprocedure voor Dublinterugkeerders. Het AIDA-rapport en de e-mail van de HFHR dateren van vóór deze uitspraken van de Afdeling en bevatten geen informatie die de Afdeling niet al heeft betrokken bij haar uitspraken. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft.
9. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank,
in de zaak NL24.48574:
- verklaart beroep ongegrond;
in de zaak NL24.48575:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verordening (EU) 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Immigratie- en naturalisatiedienst.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:1184.
ECLI:NL:RVS:2021:2659.
ECLI:NL:RVS:2022:3147.
ECLI:NL:RVS:2024:3992.
ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 7.3.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17041; bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 4 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4438.
Asylum Information Database.
Helsinki Foundation for Human Rights.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
ECLI:NL:RVS:2024:3455.