Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:15450
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,256 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35067
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2024 op zitting behandeld. Eiser is per beeldverbinding verschenen. Eisers gemachtigde heeft wegens omstandigheden telefonisch aan de zitting deelgenomen. De minister is verschenen bij zijn gemachtigde.
Overwegingen
Zit er een terugkeerbesluit in het dossier?
1. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit ontbreekt in het dossier. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. In de zich in het dossier bevindende (meeromvattende) beschikking van 2 april 2024, waarbij eisers asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, staat dat eiser een terugkeerbesluit heeft gekregen en dat hij onmiddellijk moet vertrekken. Dat wat eiser aanvoert is dus feitelijk onjuist.
Is er sprake van schending van artikel 5.3, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000)?
2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat de minister artikel 5.3 van het Vb 2000 heeft geschonden. Eiser voert aan dat de maatregel en informatie over zijn rechten niet schriftelijk aan hem zijn uitgereikt in een voor hem begrijpelijke taal.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het klopt dat de minister niet heeft voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vb 2000. Die plicht houdt in dat de vreemdeling schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte moet worden gebracht van de redenen van bewaring, van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel tot bewaring aan te vechten en van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen. Uit de maatregel van bewaring en het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor blijkt dat de minister aan eiser een informatiefolder in de Arabische taal heeft uitgereikt en dat deze mondeling is toegelicht aan eiser. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen dat dat niet is gebeurd. Zoals de rechtbank bekend is betreft dit een algemene informatiefolder waarin niet vermeld is welke gronden van bewaring op eiser van toepassing zijn. Dit is onvoldoende om aan de voorwaarden uit artikel 5.3 van het Vb 2000 te voldoen. Hierdoor heeft de minister niet voldaan aan de informatieplicht.
2.2.
Als de minister niet voldoet aan de informatieplicht uit artikel 5.3 van het Vb 2000, leidt dat echter pas tot onrechtmatigheid van de bewaring als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Dat betekent dat de rechtbank een belangenafweging moet maken. Deze belangenafweging valt in het voordeel van de minister uit. Eiser is niet feitelijk benadeeld door de schending van de informatieplicht, omdat – onweersproken – met eiser tijdens het gehoor voor de inbewaringstelling is besproken op welke gronden hij in bewaring zou worden gesteld, zodat hij daarover (met de hulp van een tolk) is geïnformeerd. Daarnaast is aan eiser tijdens het gehoor medegedeeld dat hij kosteloos beroep kon instellen en is aan hem een advocaat toegevoegd die namens hem beroep heeft ingesteld. Daar staat tegenover dat uit de (onbetwiste) gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd een onttrekkingsrisico volgt, zodat de minister er belang bij heeft om eiser in bewaring te stellen. De rechtbank betrekt hierbij ook dat uit de Afdelingsuitspraak van 24 juli 2024 volgt dat de minister, vanaf de datum van deze uitspraak, zes maanden de tijd heeft om zijn werkwijze in overeenstemming te brengen met artikel 5.3 van het Vb 2000 alvorens de schending van artikel 5.3 van het Vb 2000 gevolgen kan gaan hebben voor de maatregel. Deze termijn is nog niet verstreken.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende effectief en voortvarend handelt ten aanzien van de uitzetting van eiser. Er is namelijk een laissez-passer aangevraagd bij de Tunesische autoriteiten op de naam van [eiser], geboren [geboortedatum 1] 1998, terwijl zijn echte naam [naam 1], geboren [geboortedatum 2] 1994 dan wel [naam 2], geboren [geboortedatum 3] 1994, is.
3.1.
Dit betoog slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is bij de minister bekend onder de naam [eiser], om die reden is ook voor deze persoon een laissez-passer aangevraagd, zowel bij de Algerijnse als de Tunesische autoriteiten. Het ligt op de weg van eiser om zich in te spannen om zijn – volgens hem – juiste identiteit aan de minister kenbaar te maken, zodat zijn uitzettingsprocedure kan worden bespoedigd. Eiser heeft verklaard dat hij een (kopie) Tunesisch identiteitsdocument op zijn telefoon heeft staan, maar onderzoek door de politie van eisers telefoon heeft – onweersproken – niks opgeleverd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn identiteitsbewijs op zijn Facebook-pagina staat, maar het is de rechtbank niet gebleken waarom eiser dit stuk nog niet heeft overgelegd. Dat hij dat niet kan omdat hij geen internetverbinding heeft is daarvoor onvoldoende. Eisers stelling dat het aanvragen van een laissez-passer bij de Tunesische autoriteiten onder de naam [eiser] bij voorbaat kansloos is, volgt de rechtbank naar de huidige stand van zaken dan ook niet. Daarbij komt nog dat er op 20 augustus 2024 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft namelijk zelf aangegeven het liefst zo snel mogelijk Nederland te willen verlaten en mee te willen werken aan zijn vertrek naar zijn land van herkomst. Hierdoor is er geen reden om aan te nemen dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de (onbetwiste) gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, volgt namelijk het risico op onttrekking. Dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de in bewaring stelling en tijdens het vertrekgesprek op 9 september 2024 verklaart mee te willen werken aan zijn vertrek doet hier niet aan af. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser al langere tijd onrechtmatig in Nederland verblijft en dat hij tot nu toe geen activiteiten heeft ondernomen om zijn vertrek naar zijn land van herkomst mogelijk te maken, bijvoorbeeld door het aan de minister overleggen van het (kopie) identiteitsbewijs, waarover hij – zo hij stelt – zou beschikken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoekt tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Dat volgt uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000 en ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, r.o. 7
ABRvS 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979.
ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, r.o. 9.
Vergelijk ABRvS van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979.
Vergelijk ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.