Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:14414
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,781 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33141
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. C. Chen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Bij bestreden besluit van 22 augustus 2024 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b. Ten aanzien van de zware grond 3a voert hij aan dat hij op de juiste manier Nederland is binnen gekomen, omdat hij is overgedragen door de Zwitserse autoriteiten. Ten aanzien van de zware grond 3b voert hij aan dat het voor hem van belang is dat hij een beoordeling van zijn asielaanvraag krijgt. Daarom is het aannemelijk dat hij zich beschikbaar houdt voor de autoriteiten en is het niet aannemelijk dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast heeft hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat het de bedoeling was om terug te komen, maar dat het even duurde voordat hij terug kon komen.
1.2.
Wat eiser aanvoert, geeft geen aanleiding om de gronden van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Ondanks dat eiser door de Dublinovername Nederland nu op de juiste wijze in binnengekomen, heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser eerder onrechtmatig Nederland is ingereisd. Eiser beschikt niet over een geldig document voor grensoverschrijding en uit het Europees Visuminformatiesysteem blijkt dat hij nooit in het bezit gesteld is van een visum. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd dat het vermoeden bestaat dat eiser eerder Nederland feitelijk niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. De minister heeft ook de feitelijke juistheid van zware grond 3b voldoende toegelicht door er onder meer op te wijzen dat eiser al twee keer eerder zonder geldige reden met onbekende bestemming uit het opvangcentrum is vertrokken. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiser zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Met wat eiser heeft aangevoerd, heeft hij de feitelijke juistheid hiervan niet gemotiveerd betwist.
1.3.
De minister heeft de lichte grond 4b tijdens de zitting laten vallen. Omdat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij geen strafrechtelijke antecedenten in Nederland heeft. De bewaring voelt voor hem als strafrechtelijke detentie. Eiser betoogt dat kan worden volstaan met een meldplicht, zodat hij zijn asielaanvraag in een AZC mag afwachten
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel van inbewaringstelling voldoende gemotiveerd heeft dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij wijst de minister er in de maatregel op dat sprake is van risico op onttrekking. Verder heeft de minister er op zitting terecht op gewezen dat eiser tijdens vorige asielprocedures meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken. Aan de verklaring van eiser voorafgaand aan de maatregel dat hij zich zal houden aan de meldplicht heeft de minister dan ook geen (doorslaggevende) waarde hoeven hechten. Dat de inbewaringstelling voor eiser voelt als strafrechtelijke detentie maakt het voorgaande niet anders. Dit doet immers niet af aan het risico op onttrekking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring niet is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie ARvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.