Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:12355
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,469 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ArnhemBestuursrecht
zaaknummer: NL22.25504
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. I. Kamphuis).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2022, aangevuld op 12 december 2022, deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. Hij heeft eerder op 8 juli 2018 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Tegen het besluit van 15 juli 2020, waarbij zijn aanvraag is afgewezen als ongegrond, heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van 9 november 2020 is dit beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep hiertegen is bij uitspraak van 5 augustus 2021 gegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het onderzoek naar de asielaanvraag van eiser zorgvuldig is verlopen en het besluit deugdelijk is gemotiveerd, omdat de staatssecretaris in de besluitvorming niet had gemotiveerd op welke manier de correcties en aanvullingen van eiser op het verslag van het nader gehoor zijn betrokken bij het standpunt van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser. Vervolgens heeft de minister een nieuw besluit genomen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en over dit besluit gaat het in deze uitspraak.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is homoseksueel en heeft in Nigeria een relatie gehad met [persoon A] . Eisers zus en moeder hebben eiser op een dag telefonisch laten weten dat [persoon A] betrapt is met een andere man door de jeugd van het dorp en in handen van de politie en deze jeugd in Nigeria is gevallen. Zij hebben [persoon A] gevraagd wie er nog meer homoseksuele handelingen heeft verricht en daarop heeft [persoon A] de naam van eiser genoemd. [persoon A] is eerst naar het ouderlijk huis van eiser gebracht. Terwijl eiser hiervan dus telefonisch op de hoogte werd gesteld door zijn zus, is [persoon A] door de jeugd en de politie daarna op het plein in het dorp in brand gestoken en gedood. Eisers vader is kort daarna overleden. Eisers zus en ook zijn vriend [persoon B] , waarmee hij ook een relatie heeft gehad, adviseerde(n) hem om zijn eigen weg te gaan vinden, want als hij door de jeugd en de politie zou worden opgepakt dan zou hij op dezelfde manier als [persoon A] worden verbrand. Vanwege deze doodsbedreiging door de Nigeriaanse overheid heeft eiser Nigeria verlaten.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Seksuele gerichtheid;
3. Problemen voortvloeiend uit seksuele gerichtheid.
6.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat relevant element 1 geloofwaardig en relevante elementen 2 en 3 ongeloofwaardig worden geacht. Wat betreft relevant element 2 stelt de minister zich op het standpunt dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over de ontdekking van zijn geaardheid. Ook heeft hij oppervlakkig en algemeen verklaard over zijn gestelde relaties met [persoon A] en [persoon B] . Daarnaast heeft hij oppervlakkig en niet inzichtelijk verklaard over zijn omgeving in Nigeria en hoe het voor hem was om daar als homoseksueel te leven. Tot slot heeft hij algemeen verklaard over de positie van LHBTI in Nederland of groepen. Verder is niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Nigeria voor vervolging heeft te vrezen dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Seksuele gerichtheid (relevant element 2
)
De verklaringen van eiser over de ontdekking en ervaringen in Nigeria
7. Eiser betoogt dat zijn verklaringen over de ontdekking van zijn geaardheid weliswaar summier zijn te noemen omdat hij niet pagina’s lang heeft verklaard, maar dit is ook geen vereiste en daarom kan dit niet aan hem worden tegengeworpen. Eiser heeft wel degelijk voldoende verklaard over zijn gevoelens en gedachten en hij heeft ook adequaat verklaard over zijn ervaringen. Het is voor eiser geen worsteling geweest toen hij achter zijn seksuele gerichtheid kwam. Over het probleem in verhouding tot de buitenwereld heeft eiser heldere verklaringen afgelegd. Verder is het antwoord op de vraag wat de diverse ervaringen in Nigeria met eiser deden vrij eenvoudig en hierover verklaart eiser kort maar krachtig in het aanvullend gehoor (op pagina 16). Eiser is bovendien geen man van veel woorden over zijn gevoelens en zijn gemachtigde kan dit beamen. Eiser heeft wel degelijk concreet en adequaat geantwoord op de gestelde vragen. Verder wordt niet aangegeven wat verwacht wordt van eiser wat hij vertelt. Diepgang in de verklaringen is geen voorwaarde om homoseksuele geaardheid aan te nemen. De indruk wordt gewekt dat er toch weer sprake is van een verkapte zoektocht naar een bewustwordingsproces of proces tot zelfacceptatie en dat is in strijd met het geldende beleid. Ter zitting betoogt de gemachtigde van eiser nog dat onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader, gelet op hoe eiser in elkaar zit als persoon. Verder heeft de minister niet het verband aangegeven (en ook niet toegelicht) tussen hoe lang iemand weet dat hij homo is en hoeveel of hoe hij daarover moet kunnen verklaren. De verklaringen worden dan ook ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
7.1.
Bij asielaanvragen waarbij LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd maakt de minister bij het onderzoek en de beoordeling gebruik van de Werkinstructie 2019/17 (WI 2019/17). Volgens WI 2019/17 moeten bij het horen en de daaropvolgende beoordeling in ieder geval de volgende thema’s worden betrokken:
- privéleven;
- huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI-groepen;
- contact met LHBTI’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie;
- discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het zwaartepunt in LHBTI-zaken moet liggen bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen, zonder daarbij uit te gaan van stereotiepe uitgangspunten. De minister moet een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling maken waarbij hij de verklaringen van een vreemdeling over de verschillende in WI 2019/17 genoemde thema’s uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang én in het licht van de overige verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal moet bezien.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser (inhoudelijk) summier en oppervlakkig heeft verklaard over de ontdekking van zijn homoseksuele geaardheid. Zoals uit rechtsoverweging 7.1. volgt ligt het zwaartepunt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat eiser vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen. Ook na doorvragen tijdens het gehoor geeft eiser met zijn (telkens dezelfde) verklaringen geen inzicht in zijn gevoelens en gedachten over hoe het voor hem was om te ontdekken dat hij homoseksuele gevoelens kreeg. Daarmee heeft eiser te weinig inzicht gegeven in zijn houding en denk- en gevoelsproces ten opzichte van zijn geaardheid. Deze beoordeling is in lijn met WI 2019/17 zoals volgt uit rechtsoverweging 7.1.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer NL20.14362 (niet gepubliceerd).
ECLI:NL:RVS:2021:1766.
Zie bijvoorbeeld het nader gehoor, p. 10, 11 en 12.
Zie het nader gehoor, p. 6 en 8.
Beoordeling
Uit deze werkinstructie volgt dat de minister mag verwachten dat bij een vreemdeling die afkomstig is uit een land waar men LHBTI-gerichtheid niet accepteert en waar dit mogelijk strafbaar is gesteld, sprake zal zijn van een (denk)proces waarin de vreemdeling zich onder andere voor de vraag gesteld ziet wat het betekent om anders te zijn dan hetgeen de maatschappij (en de wet) verwacht/verlangt en op welke wijze hij daaraan invulling wil en kan geven. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de LHBTI-gerichtheid zal gewicht worden toegekend aan het proces van ontdekking van de gerichtheid en de wijze waarop de vreemdeling heeft verklaard daarmee te zijn omgegaan. In de vraagstelling en bij de beoordeling moet ook rekening worden gehouden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling (het referentiekader). Met het eigen referentiekader van eiser is wel degelijk rekening gehouden. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers betoog dat hij een eenvoudige man is van niet veel woorden dit niet anders maakt. Dat geldt ook voor de verwijzing naar de cultuur waar eiser vandaan komt, waarin indirecter wordt gecommuniceerd, en dat eiser geen hoger onderwijs heeft gevolgd. Deze omstandigheden doen er niet aan af dat eiser een man is van 38 jaar, die volgens zijn verklaringen al 24 jaar gevoelens heeft voor jongens/mannen. Gelet daarop mag worden verwacht dat hij meer dan over een paar gebeurtenissen kan verklaren over de ontdekking van wat het met hem heeft gedaan in een land als Nigeria waar homoseksualiteit is verboden en zwaar wordt gestraft. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat hij mag verwachten dat eiser dan ook meer kan verklaren over wat de confrontaties en gebeurtenissen met zijn eigen geaardheid deden met zijn houding, gedachten en gevoelens hierover. De stelling van eiser, dat de minister niet het verband heeft aangegeven tussen hoe lang iemand weet dat hij homo is en hoeveel hij daarover moet kunnen verklaren, treft geen doel. De minister heeft voldoende toegelicht dat de duur van een relatie wel degelijk invloed heeft op wat verwacht mag worden aan verklaringen van eiser en zeker bezien tegen de gebeurtenissen die zich in die tijd hebben afgespeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Relaties met [persoon A] en [persoon B]
8. Eiser betoogt dat hij voldoende heeft verklaard over de relaties met [persoon A] en [persoon B] om aan te kunnen nemen dat deze bestaan hebben, in het licht van de aard van de relaties en het feit dat deze in het geheim plaatsvonden. Ook hier relateert de minister de duur van de relaties aan wat eiser over deze mannen zou moeten weten, maar onderbouwt de minister dit verband niet. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat de duur in dit verband ook niet relevant is gelet op de aard en frequentie van de relatie.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser oppervlakkig en algemeen heeft verklaard over zijn relaties met [persoon A] en [persoon B] . Eiser heeft met zijn verklaringen geen inzicht gegeven in deze gestelde relaties, omdat deze blijven steken in seksuele aspecten en algemeenheden. Tijdens het gehoor is (door)gevraagd naar de persoonlijke beleving van eiser en hoe het voor hem was om in een land als Nigeria, waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel en strafbaar is, homoseksuele relaties te hebben omdat verondersteld kan worden dat eiser gelet daarop over zijn homoseksualiteit en ontdekking daarvan heeft nagedacht. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de duur van een relatie wel degelijk invloed heeft op hoeveel kan worden verklaard over een relatie. Eiser verklaart al 24 jaar gevoelens te hebben voor jongens en dat hij al meer dan 20 jaar met [persoon A] en [persoon B] is omgegaan. Gelet daarop mag de minister van eiser verwachten dat hij meer kan vertellen over deze relaties, over zijn ervaringen in deze relaties en hoe zijn gevoelens voor deze mannen zijn gegroeid. Eiser verklaart -ondanks dat meerdere keren wordt doorgevraagd- telkens over de eerste kennismaking en de schooltijd, maar niet over het verdere verloop van de relatie. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen over homoseksueel zijn in Nigeria
9. Eiser betoogt dat uit zijn verklaringen afdoende blijkt hoe het voor hem was om in een land als Nigeria te leven en welke situaties dit opleverde, zoals isolatie op school, ongemak in de kerk en liegen tegen zijn vader. Dat de minister steeds opnieuw dezelfde vragen stelt betekent niet dat eiser dan ook ineens uitgebreider gaat vertellen. De minister werpt eiser niet langer tegen dat hij zich niet zou hebben verdiept in de consequenties van zijn seksuele geaardheid, maar weegt dat ten onrechte niet in eisers voordeel mee. Niet in geschil is dat eiser beschikt over kennis van de positie van homoseksuelen in Nigeria en dat moet in zijn voordeel meewegen. Dat de beslissing enkel is gebaseerd op het volgens de minister ontbrekende verdiepende inzicht is onjuist en onvoldoende gemotiveerd.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser oppervlakkig en niet inzichtelijk heeft verklaard over zijn omgeving in Nigeria en hoe het was om daar als homoseksueel te leven. Eiser beschikt slechts over algemene informatie over de situatie van homoseksuelen in Nigeria die vele Nigerianen zullen hebben en hij heeft (ook na doorvragen) onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat zijn persoonlijke beleving hierin is geweest. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiser meer mag worden verwacht dan de enkele stelling dat hij zich persoonlijk goed voelde en dat het riskant was omdat de Nigeriaanse maatschappij homoseksualiteit afkeurt. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen over homoseksueel zijn in Nederland
10. Eiser betoogt dat hij verschillende voorbeelden heeft genoemd tijdens de gehoren over de verschillen tussen Nigeria en Nederland, zoals dat hij in Nederland kan zijn wie hij is en dat er in Nederland bescherming is van de politie. De minister doelt ook in dit geval onterecht op een (bewustwordings-)proces waar sprake van zou moeten zijn. Ter zitting betoogt eiser dat hem alsnog het voordeel van de twijfel moet worden gegeven, gelet op alle overgelegde stukken en omdat zijn aanwezigheid bij een voorlichtingsbijeenkomst van COA/GGD en enkele bijeenkomsten van Rainbow en het meelopen van de Gaypride wel geloofwaardig worden geacht.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser summier en algemeen heeft verklaard over de situatie voor homoseksuelen in Nederland. De minister mag van eiser verwachten dat hij kan verklaren over de jaren die hij in Nederland heeft doorgebracht en hoe zijn houding ten opzichte van zijn geaardheid zich in die tijd heeft ontwikkeld. Eiser stelt nu juist vanwege zijn geaardheid te zijn gevlucht en heeft in die jaren in Nederland ook homoseksuele relaties gehad. De verklaringen van eiser over de gestelde relaties die hij in Nederland heeft gehad (met [persoon C] en [persoon D] ) geven onvoldoende inzicht om te concluderen dat het aannemelijk is dat eiser homoseksueel is. Verder blijkt uit eisers verklaringen en uit de overgelegde stukken dat hij naar bijeenkomsten in Nederland is geweest en dat dit wordt gevolgd door de minister. Echter, eiser heeft met de overige verklaringen, daar waar het zwaartepunt ligt, zijn geaardheid niet aannemelijk gemaakt. De enkele aanwezigheid bij de bijeenkomsten is onvoldoende om zijn seksuele geaardheid aannemelijk te maken.