Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:23464
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,515 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.21244 (beroep) en NL24.21245 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser/verzoeker], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 15 september 2023 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 17 mei 2024 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Het eerder aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod blijven geldig.
2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1970.
Hij is op 10 mei 1993 Nederland binnengekomen.
De eerdere asielprocedure
4. Eiser heeft in het verleden een asielvergunning voor onbepaalde tijd gehad. Verweerder heeft die vergunning bij het besluit van 29 juni 2015 met terugwerkende kracht tot 20 augustus 2011 ingetrokken vanwege de door eiser gepleegde misdrijven. Eiser is met een terugkeerbesluit opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en er is tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Eiser heeft tegen het besluit van 29 juni 2015 geprocedeerd tot aan de hoogste bestuursrechter, maar zijn beroep en hoger beroep zijn ongegrond verklaard.
Het huidige asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt biseksueel te zijn. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser te worden vermoord vanwege zijn geaardheid. Ook kan eiser niet terug naar Somalië omdat het er in algemene zin onveilig is en hij – vanwege zijn persoonlijke omstandigheden – vreest voor Al-Shabaab. Bij terugkeer zou hij daarom ook een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Het bestreden besluit
6. Verweerder heeft eisers opvolgende asielaanvraag afgewezen. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. zijn identiteit, nationaliteit en herkomst; en
2. zijn biseksuele geaardheid.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar eisers gestelde biseksuele geaardheid niet. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk moet vrezen voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Aan eiser is daarom geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft aanvullend gemotiveerd waarom geen ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM. Met deze afwijzing zijn ook het op 29 juni 2015 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod gehandhaafd. Het (eventuele) verzoek van eiser om herziening dan wel opheffing van het inreisverbod heeft verweerder afgewezen.
Wat vindt eiser in beroep?
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Het besluit is niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Zo is in het bestreden besluit niet alles uit de zienswijze kenbaar betrokken, zijn de aanvullingen en correcties onvoldoende betrokken en is niet gemotiveerd hoe deze zijn meegewogen. Verweerder heeft in het nader gehoor verder onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader, nu eiser door zijn beperkte ontwikkeling en sociaal-culturele achtergrond niet op eenzelfde wijze verklaren als een academicus kan. Verweerder had in dat kader ook meer moeten doorvragen tijdens het nader gehoor en mocht daarom niet volstaan met de overweging dat de verklaringen over eisers biseksuele geaardheid onvoldoende concreet zijn. Eiser heeft ook ten onrechte niet eerst een medisch advies opgesteld. Eiser heeft zijn biseksuele geaardheid wel voldoende aannemelijk gemaakt. Zo heeft eiser wel kennis van de LHBTI-gemeenschap, heeft hij inzicht verschaft over zijn gedachten en gevoelens bij zijn geaardheid en is door hem wel nagedacht over zijn geaardheid met betrekking tot het leven in Somalië. Eiser heeft ook voldoende gemotiveerd waarom er voor hem, los van zijn biseksuele geaardheid, bij terugkeer sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM. Doordat eiser alcohol- en drugsverslaafd is en alcohol en drugs verboden zijn in Somalië, loopt hij gevaar als hij wordt teruggestuurd. Ook loopt hij gevaar omdat eiser bij terugkeer door Al-Shabaab als ‘verwesterde terugkeerder’ zal worden aangemerkt. Tot slot vindt eiser dat verweerder had moeten doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM en is het inreisverbod volgens hem – gelet op zijn verslavingen – niet proportioneel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder motiveert de rechtbank hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Procesbelang bij het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag
9. Verweerder heeft aan eiser een inreisverbod opgelegd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw. Dat betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben en in beginsel geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep zolang het inreisverbod geldt. Dat is alleen anders als eiser nog niet van het grondgebied van de lidstaten is vertrokken. Dat is in het geval van eiser aan de orde. Eiser heeft daarom procesbelang bij zijn beroep tegen de afwijzing van opvolgende asielaanvraag.
Zorgvuldigheid en motivering van de besluitvorming
Correcties en aanvullingen op nader gehoor
10. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder in zijn besluitvorming moet motiveren op welke manier hij de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor heeft betrokken bij zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de vreemdeling. Als dat niet is gebeurd, kan het onderzoek naar de asielaanvraag onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd zijn.
10.1.
De rechtbank overweegt dat eiser in het beroep niet concreet heeft gemaakt welke correcties en aanvullingen door verweerder niet zijn betrokken. Ter zitting heeft eisers gemachtigde desgevraagd twee concrete aspecten uit de correcties en aanvullingen genoemd die niet door verweerder zouden zijn betrokken, te weten dat eiser vroeger graag meisjeskleding droeg (pagina 2 van de correcties en aanvullingen) en dat eiser bewust kiest voor een homoseksuele relatie (pagina 3 van de correcties en aanvullingen). Met betrekking tot het dragen van meisjeskleding volgt de rechtbank verweerder in zijn betoog dat niet op elk detail hoeft te worden ingegaan, maar dat verweerder kan volstaan met het betrekken van de dragende overwegingen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van de biseksuele geaardheid. Met betrekking tot het bewust kiezen van homoseksuele relaties overweegt de rechtbank dat dit wel expliciet is betrokken door verweerder. Op pagina’s 3 en 4 van het voornemen staat namelijk:
“Bij de correcties en aanvullingen geeft u aan dat uw contact met mannen voor het verbreken van de relatie gewoon lekker voelde en dat u zich daarna vrijer bent gaan voelen om te kiezen voor een man. Ondanks u er in het gehoor meermaals naar bent gevraagd, zijn uw verklaringen over hoe u achter uw gevoelens voor mannen kwam vaag en weinig persoonlijk. Ook de toevoegingen in de correcties en aanvullingen geven hierin geen verdiepende inzichten. Van u mag verwacht worden dat u hier authentieke verklaringen over geeft die verder gaan dan vaag- en algemeenheden. Hier bent u niet in geslaagd.”
10.2.
Nu verder niet concreet is toegelicht aan welke stellingen in de correcties en aanvullingen verweerder ten onrechte aan voorbij is gegaan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in zijn besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom de inhoud van de correcties en aanvullingen niet tot een andere overweging leidt.
Referentiekader
11. Verweerder dient in zaken waar geaardheidskwesties spelen door te vragen op de antwoorden van de betrokken vreemdeling. Dit is van belang, omdat de mate waarin iemand zijn gerichtheid in woorden kan vatten per persoon zal verschillen.
Conclusie
24. Gelet op voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
25. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
26. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals
gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 26 juli 2017 (Ouhrami), ECLI:EU:C:2017:590 en de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3998.
Uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1766.
Uitspraak van de Afdeling van 2 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1982.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2212.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 26 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5095.
Uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:341.
WI 2021/12 Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure.
Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:898.
WI 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd.
WI 2014/10 Integrale geloofwaardigheidstoets; inhoudelijke beoordeling (asiel).
Arrest van het EHRM van 17 juli 2008 (N.A. t. Verenigd Koninkrijk), ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407.
Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, onder 1 en 2, van de Vw.
Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, onder 3 van de Vw en artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU).
Uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1067.
Algemeen Ambtsbericht Somalië juni 2023, p. 53.
Uitspraak van het Hof van 9 november 2023 (X en Y), ECLI:EU:C:2023:843.
Algemeen Ambtsbericht Somalië juni 2023, p. 77.
Paragraaf C7/30.3.2, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) (C).
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2923.
Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4952.
Artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb en paragraaf A4/2.5.2 van de Vc (A).
Artikel 6.5c, van het Vb en paragraaf A4/2.5.5 van de Vc (A).
Richtlijn 2008/115/EG.
Overwegingen
Niet iedere vreemdeling is namelijk gewend om over zijn persoonlijke ervaringen en gevoelens te praten.
11.1.
Anders dan door de gemachtigde van eiser is aangevoerd, heeft verweerder tijdens het nader gehoor voldoende rekening gehouden met het geringe begrips- en bevattingsniveau van eiser. De rechtbank overweegt dat uit het nader gehoor volgt dat de gehoorambtenaar voldoende heeft doorgevraagd op de antwoorden van eiser. Voor zover eiser met zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 9 februari 2024 heeft willen betogen dat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd over het door eiser gestelde misbruik in Somalië, overweegt de rechtbank dat – anders dan in de aangehaalde uitspraak – tijdens het gehoor wel op dit punt is doorgevraagd. Dat eiser niet gewend zou zijn over zijn geaardheid te spreken maakt niet dat in het geheel geen inzichtelijke of gedetailleerde verklaringen van eiser mogen worden verwacht. Dat geen rekening is gehouden met het referentiekader van eiser is in de beroepsgronden weinig concreet toegelicht. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verklaard dat eiser een man is die lange en niet altijd gestructureerde antwoorden geeft op vragen en dat hij dit niet terug ziet in de in de antwoorden die in het verhoor zijn weergegeven. Daarin zijn juist steeds korte antwoorden weergegeven. Ook als dat zo is, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om te oordelen dat onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Voor zover eiser heeft willen betogen dat zijn antwoorden niet juist en/of volledig zijn weergegeven, is aan eiser de mogelijkheid is geboden correcties en aanvullingen op het gehoor te maken. De gemachtigde van eiser heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en verweerder heeft deze correcties en aanvullingen, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 10.2 is overwogen, voldoende kenbaar in zijn beoordeling betrokken. Eisers beroep op een uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2024 slaagt daarom ook niet.
11.2.
Verder volgt uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter – specifiek met betrekking tot de culturele achtergrond van een vreemdeling – dat verweerder met zijn werkwijze in beginsel al voldoende rekening houdt met de culturele achtergrond van de vreemdeling. Als daar geen sprake van is, dan is dat aan de vreemdeling dit te motiveren. De rechtbank overweegt dat eiser dat niet heeft gemotiveerd.
Medisch advies
12. Op grond van artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is verweerder aan eiser niet verplicht een medisch advies aan te bieden, omdat aan eiser op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder c, van het Vb geen rust- en voorbereidingstijd is gegeven vanwege zijn strafrechtelijke detentie. Hoewel bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om toch een medisch onderzoek te laten uitvoeren, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Verder blijkt uit de werkinstructie 2021/12 dat het uitgangspunt is dat bij een opvolgende asielaanvraag in beginsel geen medisch onderzoek wordt aangeboden. Uit het dossier blijkt weliswaar van enige psychische problematiek als gevolg van overmatig alcohol- en drugsgebruik, maar niet is gebleken van zodanige ernstige medische problematiek dat een medisch advies noodzakelijk moest worden geacht. Ook is niet gebleken dat eiser tijdens zijn gehoor vanwege medische of psychische klachten belemmerd was om te verklaren. Eiser heeft tijdens het verhoor aangegeven dat het goed met hem gaat en er geen klachten zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Aan het eind van het gehoor heeft eiser aangegeven dat hij tevreden is over het gesprek met de gehoorambtenaar en dat hij alles goed heeft begrepen. Dat er – vanwege eisers psychische problematiek – geen waarde mag worden gehecht aan zijn verklaringen dat het goed met hem gaat en dat er geen klachten zijn waar rekening mee moet worden gehouden volgt de rechtbank niet, nu eiser de ernst van zijn psychische problematiek onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt om die conclusie te rechtvaardigen. De door eiser aangehaalde uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 5 maart 2024 gaat gelet op het voorgaande niet op. Verweerder mocht zich dus op het standpunt stellen dat er geen aanknopingspunten waren om een medisch onderzoek aan te bieden
13. Dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling biseksuele gerichtheid
14. Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van eisers biseksuele gerichtheid dient verweerder werkinstructie 2019/17 als uitgangspunt te nemen. Volgens deze werkinstructie moet verweerder bij de beoordeling rekening houden met de omstandigheid dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij LHBTI is. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij LHBTI is, is niet voldoende. Verweerder maakt een individuele afweging die onderdeel is van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling overeenkomstig werkinstructie 2014/10, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken en in onderlinge samenhang worden gewogen. Het is aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid tegenover verweerder aannemelijk te maken. Het bepalen van welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid, is sterk afhankelijk van de individuele zaak. Verweerder houdt, net als tijdens het gehoor, hierbij rekening met het referentiekader van de vreemdeling. Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van LHBTI’ers in het land van herkomst). Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen. Als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar LHBTI-gerichtheid niet wordt geaccepteerd en misschien zelfs strafbaar is, mag van een vreemdeling worden verwacht dat hij inzicht kan geven in een denkproces over wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij of wet verlangt en hoe hij daar invulling aan geeft.
14.1.
Verweerder moet de gestelde seksuele gerichtheid in ieder geval aan de hand van de volgende vier thema’s beoordelen:
privéleven;
huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI-groepen;
contact met LHBTI’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; en
discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst.
14.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de biseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij besefte dat hij gevoelens had voor mannen. Eisers is tijdens het gehoor met deze inconsistentie geconfronteerd, maar zijn antwoorden daarop hebben dit niet kunnen verduidelijken. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser, ook nadat de gehoorambtenaar heeft doorgevraagd of de vraag heeft herhaald, vaag verklaard over hoe hij erachter kwam dat hij op mannen valt en dat eisers verklaringen over zijn gevoelens voor mannen oppervlakkig en weinig authentiek zijn.
14.3.
Verder heeft eiser wisselend geantwoord op de vraag of hij een relatie met mannen heeft gehad. Ook heeft hij weinig concreet verklaard over zijn losse contacten met anderen mannen en weet hij nauwelijks namen te noemen van mannen met wie hij losse contacten gehad heeft.
Overwegingen
Eiser heeft verder vaag verklaard over hoe hij in contact kwam met andere mannen in Nederland. Verweerder betrekt ook dat eiser heeft geen kennis heeft van de situatie omtrent de LHBTI-gemeenschap in Nederland, terwijl eiser zich al sinds 1993 in Nederland bevindt. Dat zijn verklaringen authentiek zijn omdat deze worden ondersteund door verklaringen van leden uit LHBTI-kringen, heeft verweerder niet ten onrechte niet hoeven volgen. Eiser verwijst daarbij naar interviews van mensen in de LHBTI-kringen. De rechtbank overweegt dat dit niet gaat om ervaringsdeskundigen, dat de interviews zijn gedaan in het kader van nieuwsentertainement en dat de nadruk ligt op de eigen en authentieke verklaringen van eiser. Het enkel noemen van feitelijkheden bij de wijze waarop homoseksuele mannen elkaar ontmoeten, maakt niet dat sprake is van persoonlijke authentieke verklaringen over eisers beleving van zijn biseksuele gerichtheid. Dat eiser geen kennis heeft van LHBTI-belangenverenigingen omdat hij niet in wijder publiek bekend zou willen staan als homoseksueel en hij andere zorgen aan zijn hoofd heeft, begrijpt de rechtbank, maar dat maakt niet dat de door eiser gestelde biseksuele geaardheid wel geloofwaardig moet worden geacht.
14.4.
Verder overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende inzicht heeft kunnen verschaffen van het zijn van een LHBTI’er in Somalië. Verweerder betrekt dat eiser hierop in het nader gehoor meerdere keren op is bevraagd, dat blijkt dat eiser hier niet over heeft nagedacht en dat hij weinig diepgang heeft kunnen geven op dit punt. Door verweerder wordt niet betwist dat homoseksualiteit in Somalië niet is toegestaan. Echter wordt wel van eiser verwacht dat hij inzicht kan geven in een denkproces over wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij of wet verlangt en hoe hij daar invulling aan geeft. Wat door eiser op dit punt in beroep is aangevoerd maakt dit niet anders.
14.5.
Gelet op voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gestelde problemen naar aanleiding van zijn biseksuele geaardheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden.
Reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM
15. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat er drie situaties mogelijk zijn waarbij de vreemdeling een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De vreemdeling kan een risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM vanwege individuele omstandigheden, vanwege het feit als hij tot een specifieke groep behoort of vanwege de algemene situatie in zijn herkomstgebied. Bij de laatstgenoemde situatie moet sprake zijn van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict dermate hoog is dat een ieder, enkel door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Risico’s vanwege de algemene situatie
16. Ter zitting heeft eiser gesteld dat van een dergelijke situatie bij terugkeer sprake is. De rechtbank overweegt dat de hoogste bestuursrechter bij uitspraken van 16 maart 2023 heeft geoordeeld dat een dergelijke situatie in Mogadishu – waar eiser vandaan komt – niet aan de orde is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, hoewel zich in Somalië een zorgelijke situatie voordoet, dit niet is te kwalificeren als een situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit landeninformatie blijkt dat Al-Shabaab aanslagen pleegt in Mogadishu, maar deze aanslagen zijn vooral gericht tegen hooggeplaatste figuren in de Somalische samenleving en niet tegen willekeurige burgers. Dit neemt niet weg dat burgers desondanks slachtoffer kunnen worden van deze aanslagen, maar dat is onvoldoende om te stellen dat er wijdverbreide en willekeurige aanslagen worden gepleegd door Al Shabaab.
16.1.
Ter zitting verwijst eiser in dit kader naar de uitspraak van het Hof van 9 november 2023 en de bijzondere situatie van eiser. In deze uitspraak is overwogen dat er óók een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan bestaan wanneer er sprake is van een minder uitzonderlijke situatie en de vreemdeling bewijs kan leveren dat zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden maken dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser heeft niet expliciet gemotiveerd welke individuele omstandigheden van eiser hierbij betrokken dienen te worden. Voor zover eiser in dit kader een beroep doet op zijn alcohol- en drugsverslaving en de omstandigheid dat alcohol en drugs verboden zijn in Somalië, overweegt de rechtbank dat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat hij daarom een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt evenmin voor de omstandigheid dat eiser door Al-Shabaab kan worden aangemerkt als ‘verwesterde terugkeerder’. Uit het relevante ambtsbericht blijkt niet eenduidig dat terugkeerders uit westerse landen problemen ondervinden met Al-Shabaab.
16.2.
Voorts overweegt de rechtbank dat de omstandigheden dat eiser in Somalië als terugkeerder wordt aangemerkt en dat hij alcohol- en drugsverslaafde is, al door verweerder is betrokken in zijn besluit 29 juni 2015 bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM en dat dit besluit in rechte is vast komen te staan.
Risico’s vanwege behoren specifieke groep en individuele omstandigheden
17. Eiser behoort niet tot een risicogroep in Somalië zoals door verweerder is bedoeld. Dat eiser uit Somalië komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Dat eiser als terugkeerder een extra gevaar loopt is – zoals reeds in rechtsoverwegingen 16.1 en 16.2 is overwogen – niet aannemelijk. Datzelfde geldt voor zijn alcohol- en drugsverslaving. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij bij terugkeer naar Somalië vreest dat hij wordt gedwongen om te vechten, maar deze vrees heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft niet toegelicht waarom hij een verhoogd risico loopt om persoonlijk te worden benaderd of gedwongen om te vechten. Eiser zegt hierover alleen dat ze iedereen vragen om een bomgordel te dragen, maar hij onderbouwt dit verder niet. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, maakt het voorgaande niet anders. Deze uitspraak ziet namelijk op de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in een reguliere vreemdelingenzaak.
18. Gelet op voorgaande, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM
19. Op grond van artikel 3.6, derde lid, van het Vb is het verweerder toegestaan om af te zien van een nieuwe (ambtshalve) toetsing van artikel 8 van het EVRM wanneer al eerder bij afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier een beslissing is genomen over ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.6 eerste lid, of artikel 3.6a eerste lid van het Vb. Een ambtshalve toets wordt eveneens achterwege gelaten als een zwaar inreisverbod is opgelegd. Van beide situaties is in het geval van eiser sprake. Bij de eerste asielaanvraag van eiser heeft verweerder in het voornemen van 23 februari 2015 al getoetst of eiser in aanmerking kwam voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM.