Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:12023
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,182 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.23242 en NL24.23243
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser/verzoeker], V-nummer: [V-nummer], eiser/ verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1988. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte niet in behandeling neemt en dat deze inhoudelijk beoordeeld dient te worden. Er is sprake van bijzondere individuele omstandigheden zoals omschreven in artikel 17 Dublinverordening. Eiser heeft gegronde redenen om te vrezen voor vervolging in de zin van artikel 1 (A) van het Verdrag van Geneve. Verweerder heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van rechtbank Amsterdam. In Kroatië zou eiser geen internationale bescherming hebben gekregen en met zijn gezin mensonterend en inhumaan behandeld zijn. Zij zouden volgens eiser gedetineerd, mishandeld en vernederd zijn. Dit was traumatisch. De mogelijkheid op terugkeer naar Kroatië zorgt voor onrust en stress binnen het gezin. De dochter van eiser heeft angsten ontwikkeld en is mogelijk gaan stotteren vanwege de stress. Het neefje van eiser woont bij het gezin en zal van hen gescheiden worden bij uiteenzetting. Ten aanzien van Kroatië kan volgens eiser, zeker niet in het geval van een gezin met jonge kinderen, van het interstatelijke vertrouwensbeginsel uit worden gegaan. Er is sprake van fundamentele systeemfouten die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken ten aanzien van de opvangvoorzieningen, detentie en rechtsbijstand. Verweerder zou hier nader onderzoek naar moeten doen. Eiser verwijst naar verschillende bronnen waaruit volgt dat in Kroatië pushbacks plaatsvinden, er gebrek is aan opvangplekken, er geen mogelijkheid is om te klagen bij de Kroatische autoriteiten en het ingestelde monitormechanisme niet werkt. Voorts is Griekenland het eerstverantwoordelijke land voor eiser en zou daar geclaimd moeten worden. Bij overdracht aan Kroatië is sprake van concrete aanwijzingen van verdragsschendingen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Verweerder mag – ondanks pushbacks bij de buitengrenzen – ten aanzien van het overdragen van Dublinclaimanten aan Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 13 september 2023. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Kroatië dit niet doet.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat Kroatië zich ten opzichte van hem niet aan zijn internationale verplichtingen houdt of dat er in Kroatië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure. De enkele, niet-onderbouwde stellingen dat er in Kroatië sprake is van fundamentele systeemfouten in de detentie- rechtsbijstand en opvangvoorzieningen en dat eiser vreest voor vervolging, is daartoe onvoldoende. Voorts heeft eiser de mensonterende en inhumane behandeling van zijn gezin en de medische en psychische klachten van zijn dochter niet onderbouwd met (medische) documenten. Bovendien is niet gebleken dat eisers dochter onder medische behandeling staat of behandeling nodig heeft.
5.2
Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Kroatische asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Kroatische autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van (medische) hulp bij voorbaat zinloos is. Het is immers aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat Kroatië zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. In de door eiser aangehaalde informatie wordt bovendien geen ander beeld van de situatie van Dublinclaimanten in Kroatië geschetst dan de informatie die bij de Afdelingsuitspraak van 13 september 2023 is betrokken. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en heeft geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen.
6. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid of onvoldoende gemotiveerd heeft of dat verweerder gehouden was gebruik te maken van diens discretionaire bevoegdheid overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde omstandigheden van eiser niet zijn onderbouwd en ook geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden betreffen die maken dat zijn overdracht aan Kroatië van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De familieband met het neefje van eiser is bovendien niet aangetoond. Daarbij is de Dublinverordening niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij of in de buurt van familie- en gezinsleden in Nederland kan worden verkregen.
Conclusie
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
op grond van artikel 30, eerste lid Vreemdelingenwet
ECLI:NL:RBAMS:2024:1337.
Het rapport van het Border Violence Montoring Network (BVMN) over de maand maart, het BVMN rapport over augustus 2023, de notitie van Center for Peace Studies (CPS) van 19 januari 2024 en het rapport van de European Union Agency for Fundamental Rights (EUFRA) van 8 juni 2023.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.