Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:1188
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,494 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/466
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2024 in de zaak tussen
[verzoekster]
, uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. M. de Boorder),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. L. Catakli).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening inzake het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 25 augustus 2023. Zij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college bij besluit van 17 januari 2024 een voorschot heeft toegekend van € 1.094,96 naar aanleiding van verzoeksters aanvraag van 15 november 2023.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij een veroordeling tot het vergoeden van de proceskosten onredelijk zou vinden omdat het verzoek om een voorlopige voorziening in deze zaak, even als in het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer 24/172, is ingediend met als doel om een bijstandsuitkering te krijgen, al dan niet in de vorm van een voorschot, om in het levensonderhoud te voorzien.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
3.2.
Op 24 augustus 2023 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort. Verzoekster heeft zich vervolgens op 25 augustus 2023 gemeld bij het college om bijstand aan te vragen. Het college heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat verzoekster nog een lopende bijstandsuitkering had. Het college heeft de bijstand uiteindelijk bij besluit van 7 september 2023 beëindigd per 1 augustus 2023. Bij besluit van 20 november 2023 heeft het college het bezwaar tegen, onder andere, de intrekking van de bijstand per 1 augustus 2023 ongegrond verklaard. Op 10 januari 2024 heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer 24/172) hangende het beroep tegen het besluit van 20 november 2023.
3.3.
Op 15 januari 2024 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de fictieve afwijzing van haar aanvraag van 25 augustus 2023. Op 17 januari 2024 heeft verzoekster een nieuw verzoek (zaaknummer 24/466) om een voorlopige voorziening ingediend hangende het bezwaar. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het college op te dragen om binnen vier weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter te beslissen op haar aanvraag van 25 augustus 2023 en daaraan tevens een nadere dwangsom te verbinden van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000 voor iedere dag dat het college in gebreke blijkt de uitspraak na te leven.
3.4.
Uit het vorenstaande volgt dat het college weliswaar is tegemoet gekomen aan verzoekster, maar dat tegemoetkomen heeft geen betrekking op dit verzoek om voorlopige voorziening. Het voorschot is verleend in afwachting van een besluit op de nieuwe aanvraag van 15 november 2023 en niet vanwege de aanvraag van 25 augustus 2023. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om vergoeding van de proceskosten in deze zaak af. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat in de zaak 24/172 (uitspraak van heden) het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen.
Dictum
De voorzieningerechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.