Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:11755
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
3,588 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/3561 en SGR 24/999
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2024 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser 1] ;
[eiser 2] ;
[eiser 3] ;
[eiser 4] en [eiser 6] ;
[eiser 7] ,
[eiser 8] ;
[eiser 9] ;
[eiser 10]
, allen te [woonplaats] , eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college
(gemachtigde: B.A.M. Suijkerbuijk).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Tennisvereniging Stevenshof, te Leiden (vergunninghoudster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van twee padelbanen aan de Dobbedreef 1B te Leiden. De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak ook direct op het beroep van eisers.
1.1.
Het college heeft met het bestreden besluit van 22 december 2023 de gevraagde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld (zaaknr. SGR 24/999) en verzocht om een voorlopige voorziening (zaaknr. SGR 24/3561).
1.2.
Op 21 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een ordemaatregel te treffen afgewezen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 9] , de gemachtigde van het college en [naam 1] en [naam 2] namens vergunninghoudster.
Totstandkoming van het besluit
2. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van een bestaande tennisbaan door twee nieuwe padelbanen met afschermingen op het tennispark van vergunninghoudster.
2.1.
Het ontwerp van het bestreden besluit heeft met ingang van 29 september 2023 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.2.
De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit “het bouwen van een bouwwerk” en “het handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college is daarbij op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo afgeweken van het bestemmingsplan “Stevenshof 2009”.
Standpunt college
3. Aan het bestreden besluit ligt de ‘Ruimtelijke onderbouwing 2 padelbanen TV Stevenshof’ ten grondslag. Hiervan maakt het ‘Akoestisch onderzoek tennis- en padelcomplex Stevenshof in Leiden’ van M+P raadgevende ingenieurs B.V. (M+P) van 29 juni 2023 onderdeel uit. Hierin is geconcludeerd dat wordt voldaan aan de grenswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Verder is in dit onderzoek geconcludeerd dat wordt voldaan aan de richtafstand uit de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (de VNG-brochure) van 30 meter voor een gemengd gebied en aan de richtwaarden voor stap 2 uit de VNG-brochure, die 50 dB(A) bedragen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (etmaalwaarde) en 70 dB(A) voor piekgeluiden (etmaalwaarde). Daarom is de aanleg van de padelbanen volgens het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en kon de omgevingsvergunning worden verleend.
Beroepsgronden eisers
4. Eisers voeren aan dat het akoestisch onderzoek fouten bevat. Als de gangbare rekenmethodes zouden zijn gebruikt, conform de Handreiking Padel en Geluid (de Handreiking), ten aanzien van bijvoorbeeld de bezettingsgraad, bronhoogte en bodemfactor, dan zouden de berekeningen resulteren in een hogere geluidsbelasting. Daarnaast stellen zij dat de woning van eiser [eiser 1] , aan de [adres] , dichterbij de padelbanen is gelegen dan de woning op nummer [huisnummer] waarmee is gerekend. Bovendien is ten onrechte uitgegaan van de richtwaarden voor een gemengd gebied, omdat eisers wonen in een rustige woonwijk. Volgens eisers is voor de padelbanen een betere locatie te vinden die minder invloed heeft op het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers. Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Juridisch kader
7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 9 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo nog van toepassing is.
7.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Stevenshof 2009”. De in geding zijnde gronden hebben hierin de bestemming “Sport en Recreatie (S&R)”. Niet ter discussie staat dat de aanleg van de padelbanen in strijd is met het bestemmingsplan, omdat op grond van artikel 7, eerste lid, van de planregels de voor “S&R” aangewezen gronden bestemd zijn voor de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, terwijl ter plaatse een aanduiding op de verbeelding ontbreekt.
7.2.
In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
7.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Geluid
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de padelbanen zich in gemengd gebied bevinden als bedoeld in de VNG-brochure. De banen zijn immers aangelegd in een tennispark dat tussen een woonwijk, een spoorlijn en twee ontsluitingswegen ligt. Van een rustige woonwijk is dus geen sprake. Dat eisers in een rustige woonwijk wonen, doet – anders dan zij kennelijk veronderstellen – niet ter zake, nu niet hun woonadressen maar de locatie van de betrokken ontwikkeling bepalend is voor de beoordeling, in dit geval de twee padelbanen.
8.1.
Ter zitting is namens vergunninghoudster toegelicht dat een bezettingsgraad van de padelbanen van 75%, waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan, aansluit bij de huidige feitelijke bezetting in de avondperiode en dat de bezettingsgraad overdag aanmerkelijk lager is. Eisers hebben dit ter zitting niet weersproken. Zij hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat de bezettingsgraad van 75% niet passend is voor de representatieve bedrijfssituatie en hoger zou moeten zijn.
8.2.
In het akoestisch onderzoek is in de geluidsoverdrachtsberekeningen uitgegaan van een bodemfactor van 0,7, hetgeen neerkomt op 70% geluidabsorberend oppervlak tussen de bron en de ontvanger. Eisers wijzen erop dat in de Handreiking is uitgegaan van een bodemfactor van 0,3 en stellen dat de bodem tussen hun woningen en de padelbanen voor een groot deel niet absorberend is, omdat daar een weg en water aanwezig is.
De voorzieningenrechter overweegt dat het akoestisch onderzoek is opgesteld door een deskundig bureau en het rapport is goedgekeurd door akoestisch deskundigen van de Omgevingsdienst West-Holland. Daarbij zijn de feitelijke omstandigheden en dus ook de bodemtypen tussen de padelbanen en de woningen van eisers in ogenschouw genomen. Dat in de Handreiking bij de vaststelling van indicatieve invloedsgebieden is uitgegaan van een bodemfactor 0,3, wil niet zeggen dat voor een akoestisch onderzoek in een concrete situatie van dezelfde bodemfactor moet worden uitgegaan. In het Addendum bij de Handreiking wordt immers opgemerkt dat de akoestisch adviseur in een akoestisch onderzoek een inschatting moet maken van de daadwerkelijke situatie en de voor de overdracht relevante bodemtypes. De Omgevingsdienst West-Holland heeft in de beantwoording van de zienswijze van eisers vermeld dat de bodemfactor conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai is vastgesteld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Eisers hebben geen contra-expertise van een deskundig te achten persoon of instantie overgelegd waaruit blijkt dat in dit geval van een andere bodemfactor dan 0,7 moet worden uitgegaan.
8.3.
M+P heeft in het akoestisch onderzoek de afstand van de inrichtingsgrens tot de woningen van eisers bepaald op circa 53 meter. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is M+P er daarbij terecht vanuit gegaan dat de woning aan de Zuster Reichertstraat 34 het dichtstbij de inrichting is gelegen. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet de afstand tot de padelbanen bepalend is, maar de afstand tot de inrichtingsgrens. Het akoestisch onderzoek heeft immers niet uitsluitend betrekking op het geluid vanwege de padelbanen, maar op het geluid van alle geluidbronnen van de inrichting, dus ook het geluid vanwege het tennissen en het stemgeluid.
8.4.
Ten aanzien van de stelling van eisers dat voor padel een bronhoogte van
1,5 meter had moeten worden gehanteerd in plaats van 2 meter, waarvan in het rapport van M+P is uitgegaan, overweegt de voorzieningenrechter dat de deskundigheid van M+P en de Omgevingsdienst West-Holland zwaarder weegt dan de visie van eisers daarover, nu eisers geen (onafhankelijke) deskundige op het gebied van geluid zijn en ook geen tegenrapport van een geluiddeskundige hebben overgelegd. Bovendien heeft de Omgevingsdienst West-Holland in de beantwoording van de zienswijze van eisers op dit punt toegelicht dat met een bronhoogte van 2 meter juist een hogere geluidsbelasting wordt berekend dan met een bronhoogte van 1,5 meter.
8.5.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de aangehouden bronvermogens van stemgeluid zijn gebaseerd op VDI Richtlijn 3770 zoals opgenomen in het blad “Journaal geluid” van december 2009 nummer 10. M+P is voor het bronvermogen voor het piekgeluid uitgegaan van 108 dB(A) dat overeenkomt met luid schreeuwen. De voorzieningenrechter acht dit een verdedigbaar uitgangspunt. Dat tijdens het evenement World Padel Tour luider zou worden geschreeuwd (tot 115 dB(A), zoals eisers stellen) hebben eisers niet onderbouwd.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1949.