Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:10417
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,847 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19914 (beroep)
NL24.19916 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker,
V-nummer: [#] ,
(gemachtigde: mr. F. Zeven),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Verheugd).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 mei 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Daarnaast beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 5 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Heeft verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kunnen uitgaan?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan ten aanzien van Kroatië. Verweerder heeft allereerst afdoende gemotiveerd dat er daarom ook van uitgegaan kan worden dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië.
4.1
Eiser heeft in beroep gewezen op recente informatiebronnen waaruit blijkt dat er sprake is van pushbacks aan de buitengrenzen en dat er problemen zijn in de opvangvoorzieningen in Kroatië. Verweerder heeft hierover terecht opgemerkt dat de overgelegde bronnen geen wezenlijk ander beeld schetsen van de situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten dan besproken in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 september 2023. Uit deze uitspraak blijkt dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en dat Dublinclaimanten in Kroatië opvang krijgen en toegelaten worden tot de asielprocedure. Ook blijkt hieruit dat zij geen risico lopen op uitzetting. Uit die uitspraak volgt dat de vreemdeling er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 Handvest. Verweerder heeft verder opgemerkt dat er ook relevante Europese richtlijnen van toepassing zijn op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. Uit vaste jurisprudentie volgt dat eiser bij de autoriteiten van Kroatië dient te klagen als Kroatië zich niet houdt aan deze richtlijnen, en dat dit geen reden is om hem niet over te dragen. Eiser heeft niet kunnen onderbouwen waaruit blijkt dat hij bij terugkeer als Dublinclaimant niet kan klagen bij de (hogere) autoriteiten en dat er in dat geval geen tolk beschikbaar zou zijn. Om die reden heeft verweerder zich met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kunnen stellen dat eiser in het algemeen niet te vrezen heeft voor een behandeling in Kroatië die in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de aanvraag aan zich moeten trekken?
5. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat in eisers geval niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië zou getuigen van onevenredige hardheid. Eiser heeft in Kroatië nare ervaringen meegemaakt, maar de rechtbank merkt in dit kader op dat eiser in dit geval zal terugkeren als Dublinclaimant. Daarnaast heeft verweerder de ervaringen van eiser betrokken in het bestreden besluit en verweerder heeft daarover kunnen beslissen dat de aanvraag niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening door verweerder zal worden behandeld. Naast dat de ervaringen niet zijn onderbouwd is er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook geen aanleiding te veronderstellen dat eiser bij terugkeer naar Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. De rechtbank wijst in dit kader op een uitspraak van de Afdeling van 30 april 2024 waarin in een soortgelijk geval ook tot die conclusie is gekomen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ook voor het overige is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
7. Omdat er op het beroep is beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp-Lopar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2024:1778.