Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:7361
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,047 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.12088
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Vreugdenhil-Brock).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A.M. Fikken, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Jemenitische nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 en eiser in het bezit gesteld van een asielvergunning, geldig van 30 september 2021 tot 30 september 2026. Daarbij heeft verweerder vastgesteld dat eiser is geboren op 9 september 2001.
3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder zijn geboortedatum ten onrechte niet heeft vastgesteld op 9 september 2004. Eiser heeft een geboorteakte en een verklaring van de Jemenitische rechtbank overgelegd. Deze stukken heeft verweerder laten onderzoeken door zijn Bureau Documenten. Verweerder motiveert in het bestreden besluit niet wat het documentonderzoek heeft opgeleverd en waarom er wordt vastgehouden aan de onjuiste geboortedatum die eiser eerder in Griekenland heeft opgegeven.
4. In het verweerschrift erkent verweerder dat de motivering bij de vaststelling van eisers geboortedatum ontbreekt in het bestreden besluit. Volgens verweerder is dit echter geen reden om het bestreden besluit te vernietigen aangezien eiser hierdoor gelet op het volgende niet is benadeeld. De autoriteiten van Griekenland hebben desgevraagd meegedeeld dat eiser in Griekenland is geregistreerd met de geboortedatum 9 september 2001. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder in beginsel van deze registratie uitgaan. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij op 9 september 2004 is geboren. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 20 juni 2022 blijkt namelijk dat de legalisatie op de door eiser overgelegde geboorteakte vals is en dat het stuk met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt, en dat over de door eiser overgelegde uitspraak van de Jemenitische rechtbank geen uitspraak kan worden gedaan vanwege het ontbreken van voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De bestuursrechter moet uit zichzelf beoordelen of er sprake is van procesbelang. Dat is het geval als de indiener van het beroep materieel in een gunstiger positie kan geraken. Eiser heeft de door hem gevraagde asielvergunning gekregen. Toch is er sprake van procesbelang. Een vreemdeling beschikt namelijk alleen daadwerkelijk over een asielvergunning als deze is verleend op basis van de juiste personalia. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL3294, en 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292. Daarnaast heeft eiser een procesbelang bij de vaststelling van de juiste geboortedatum met het oog op de mogelijkheid van nareis van familieleden. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1165.
6. Zoals verweerder in het verweerschrift al heeft erkend, kleeft er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank is er ook sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Dit brengt met zich dat er nadere actie van verweerder nodig is. Daarom ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de gebreken te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet evenmin reden om de rechtsgevolgen in stand te laten zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb of om anderszins zelf in de zaak te voorzien. Dit licht de rechtbank als volgt toe.
7. In het bestreden besluit is vermeld dat eiser is geboren op 9 september 2001. Vervolgens wordt vermeld dat de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht. Nu eiser heeft gesteld te zijn geboren op 9 september 2004 is het bestreden besluit in zoverre innerlijk tegenstrijdig. Uit wat hiervoor is overwogen, is al gebleken dat verweerder in het bestreden besluit geen uitleg heeft opgenomen over de vaststelling van eisers geboortedatum. Verder heeft verweerder niet kunnen volstaan met de overweging dat eiser met de door hem overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is geboren op 9 september 2004. Eiser heeft met het overleggen van een geboorteakte en een uitspraak van de Jemenitische rechtbank de inspanningen verricht die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij niet in de mogelijkheid verkeert om nog meer identiteitsdocumenten te overleggen, zodat hij in zoverre in bewijsnood zegt te verkeren. De omstandigheid dat Bureau Documenten geen oordeel kan geven over de echtheid van de door eiser overgelegde uitspraak van de Jemenitische rechtbank, betekent niet dat de inhoud van dit stuk onjuist is. Volgens die inhoud is eiser geboren op 9 september 2004. Het lag op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen naar de vraag of de wijze van vaststelling van eisers geboortedatum in dit stuk overeenkomt met wat gebruikelijk is in Jemen en zo ja, of dat gegeven, in combinatie met de verdere (gestelde) bewijsnood aan de zijde van eiser, voldoende is om alsnog uit te gaan van de door eiser gestelde geboortedatum van 9 september 2004. De rechtbank verwijst hierbij naar de samenwerkingsplicht zoals die is neergelegd in artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn).
8. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsvereiste) en 3:48 (motiveringsvereiste) van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Nu de duur van het door verweerder te verrichten onderzoek niet is in te schatten, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierbij een termijn te stellen.
9. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.674 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674 (zestienhonderdvierenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654, ro. 3.1.