Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-03
ECLI:NL:RBDHA:2023:2859
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,648 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.26860
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1989 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Op 31 januari 2019 heeft eiser voor de eerste maal een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is in eerste instantie bij besluit van 12 juli 2019 niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Bij bericht van 23 juli 2019 is dit besluit ingetrokken, waarna de asielaanvraag van eiser bij besluit van 31 december 2021 is afgewezen als ongegrond. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is ongegrond verklaard op 5 december 2022.
3. Op 21 december 2022 heeft eiser met een kennisgevingsformulier, model M35-O, een opvolgende asielaanvraag ingediend, waarbij hij heeft aangekruist dat hij asiel wil aanvragen vanwege zijn geaardheid. Ter toelichting heeft eiser op vraag 4.27 aangegeven dat hij niet eerder heeft vermeld dat hij gevaar loopt in zijn land van herkomst vanwege zijn bi- en panseksualiteit. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser volgens hem heeft nagelaten informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag, ook nadat hem een week de gelegenheid was geboden dit verzuim te herstellen. Eiser heeft volgens verweerder zonder goede reden niet duidelijk gemaakt welke bijlagen hij bij het aanvraagformulier heeft gevoegd en wat eiser met die bijlagen wenst aan te tonen in relatie tot het in het aanvraagformulier opgegeven asielmotief.
3. Eiser stelt dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Het enkele feit dat hij zijn bi- en panseksualiteit ten grondslag heeft gelegd aan de aanvraag, zou voor verweerder genoeg reden moeten zijn om hem uit te nodigen voor een gehoor. Verder stelt eiser dat het onbegrijpelijk is dat verweerder de door hem overgelegde documenten onduidelijk vindt, nu dezelfde documenten in zijn eerste procedure ook al zijn overgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019 volgt dat verweerder tot buitenbehandelingstelling van een asielaanvraag kan overgaan, als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt in het kennisgevingsformulier onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie, bijvoorbeeld in het voornemen, in gebreke blijft.
5. De rechtbank stelt met verweerder vast dat de bijlagen bij het door eiser ingediende kennisgevingsformulier niet duidelijk zijn. Het aantal bijgevoegde bijlagen correspondeert niet met de op het kennisgevingsformulier vermelde nummering, de naam van de bijlagen is onduidelijk en eiser licht niet toe wat hij met de bijlagen wil aantonen. Eiser heeft dit niet alsnog opgehelderd in zijn zienswijze op het voornemen. De gemachtigde van eiser heeft eerst in beroep alsnog de strekking van de bijlagen toegelicht en daarbij opgemerkt dat het stukken betreft die al in de eerdere asielprocedure zijn overgelegd. Zij stelt dat zij deze toelichting niet al in de zienswijze heeft kunnen geven omdat zij er eerder geen zicht op had welke bijlagen eiser zelf had bijgevoegd.
7. Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiser in beroep evenwel terecht dat de reden voor het indienen van de opvolgende aanvraag al voldoende duidelijk blijkt uit de toelichting onder 4.27 van het kennisgevingsformulier. Het aldus vermelde asielmotief is als zodanig duidelijk genoeg om eiser naar aanleiding van de aanvraag te horen. Daarbij is van belang dat van eiser niet wordt verlangd dat hij zijn geaardheid bewijst met stukken. Evenmin wordt van eiser bij een opvolgende aanvraag verlangd dat hij onderbouwt waarom hij een dergelijk asielmotief niet eerder heeft aangevoerd. De enkele omstandigheid dat eiser naast de vermelding van zijn geaardheid als asielmotief stukken heeft bijgevoegd waarvan de strekking en/of de bedoeling niet op voorhand duidelijk zijn, kan voor verweerder geen aanleiding zijn om de aanvraag buiten behandeling te stellen.
8. De aanvraag is daarom ten onrechte buiten behandeling gesteld. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal alsnog inhoudelijk op de aanvraag moeten beslissen. Er is geen ruimte om de rechtsgevolgen in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien.
9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674 (zestienhonderdvierenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBROT:2022:10603.
Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2019:574.
Vergelijk ook Afdeling 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2549.