Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2019:6518
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
1,439 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.9240
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, waaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.9241, plaatsgevonden op 22 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Yap,
kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Al Sudani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum].
2. Op 14 september 2018 heeft eiser een (achtste) opvolgende asielaanvraag middels het daartoe bestemde model M35-O ingediend. Daarop heeft hij aangegeven dat er een nieuwe gebeurtenis is die hij mondeling toe wil lichten, maar hij heeft dit niet nader onderbouwd, zoals op het model wel is aangegeven.
3. Op 30 november 2018 heeft verweerder een voornemen tot buiten behandelingstelling van de opvolgende aanvraag uitgebracht. Eiser is daarin gevraagd ontbrekende informatie, die in het voornemen ook wordt gespecificeerd, binnen één week alsnog in te zenden en een en ander nader toe te lichten.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), omdat zonder verschoonbare reden niet alle door verweerder gevraagde informatie is verschaft die van belang is voor de beoordeling van de aanvraag, hoewel eiser hiervoor tweemaal de gelegenheid is gegeven.
5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade, omdat hij de Islam heeft verlaten en een atheïst is. Dit blijkt uit zijn lidmaatschap van het Atheïstisch Verbond. Verder is hij ten onrechte niet gehoord.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 buiten behandeling worden gesteld indien de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag.
In artikel 3.45b van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning pas op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw buiten behandeling kan worden gesteld, indien de vreemdeling minimaal twee keer heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken. Het gaat hierbij om het verstrekken van informatie over relevante elementen ter staving van de aanvraag als bedoeld in artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw.
7. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:574 en de uitspraak van 26 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:919, volgt dat het bieden van een herstelverzuim in een voornemen niet in strijd is met de systematiek van de Vw. De Afdeling heeft verder overwogen dat een vreemdeling zelf het moment kan kiezen om een opvolgende aanvraag in te dienen en dat hij verplicht is om een complete aanvraag in te dienen.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag op juiste gronden buiten behandeling heeft gesteld. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser, zoals in artikel 3.45b van het VV is voorgeschreven, tweemaal de gelegenheid heeft gehad om de gevraagde informatie te overleggen. In het formulier M35-O en het voornemen heeft verweerder voldoende kenbaar gemaakt welke informatie van eiser wordt verwacht. Dat zijn twee verzoeken om informatie. Dat verzuim heeft eiser niet hersteld met zijn brief van 6 december 2018 en de zienswijzen van 11 december 2018, 12 december 2018 en 4 april 2019. Er was daarom geen aanleiding om eiser uitstel te verlenen voor het indienen van een nadere zienswijze. Verder heeft eiser geen antwoord gegeven op de vraag waarom hij zijn atheïsme en zijn lidmaatschap van het Atheïstisch Verbond niet eerder naar voren heeft gebracht. Ook heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd waarom zijn atheïsme er toe zal leiden dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft daarom kunnen afzien van het horen van eiser. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de hoorplicht is geschonden. Er is de rechtbank verder niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden, als bedoeld in het arrest Bahaddar van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (JV 1998/45).
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.