Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:20308
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,138 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.28101 (beroep)
NL23.28102 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser,
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: S. Beyik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 september 2023 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk wordt geacht voor de aanvraag.
1.1
Gelijktijdig met het indienen van het beroep heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat eiser niet wordt uitgezet tot nadat op zijn beroep is beslist.
1.2
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Hij heeft op 18 augustus 2022 in Griekenland, en op 9 mei 2023 in Kroatië een asielaanvraag ingediend. Een dag later heeft eiser Kroatië verlaten en is hij doorgereisd naar Nederland, waar hij op 31 mei 2023 een asielaanvraag heeft ingediend.
3. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat volgens verweerder Kroatië daarvoor verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. Nederland heeft daarom bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan, en Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
Verantwoordelijkheid Griekenland
4. Eiser voert aan dat Griekenland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag omdat hij daar eerder een asielaanvraag heeft ingediend en daarna het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten. In Kroatië heeft eiser bovendien geen asiel aangevraagd, dus de grondslag van het claimverzoek klopt niet. Verweerder heeft een terugnameverzoek ingediend, terwijl er een overnameverzoek moest worden gedaan.
4.1
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Eiser heeft niet onderbouwd op grond van welke bepaling van de Dublinverordening Griekenland verantwoordelijk zou zijn. Bovendien heeft Kroatië heeft het terugnameverzoek van verweerder geaccepteerd. Door het aanvaarden van het terugnameverzoek heeft Kroatië zichzelf verantwoordelijk geacht, ondanks dat daarin is vermeld dat eiser in Griekenland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat Griekenland niet verantwoordelijk gehouden kon worden voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
4.2
De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat hij geen asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië, waardoor het claimverzoek een onjuiste grondslag zou hebben. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat uit de Eurodac-treffer kan worden afgeleid dat eiser in Kroatië een asielaanvraag heeft ingediend. Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder in beginsel van de juistheid van deze informatie mag uitgaan. Met de enkele, niet-onderbouwde stelling dat eiser in Kroatië geen asiel heeft aangevraagd, heeft eiser de informatie afkomstig uit het Eurodac-systeem niet weerlegd. Verweerder heeft daarom terecht aanleiding gezien om de Kroatische autoriteiten om terugname te verzoeken.
Indiening claimverzoek
5. Eiser voert aan dat verweerder te laat is geweest met het indienen van een Dublinclaim. Eiser heeft zich, gelet op de loopbrief, op 22 mei 2023 gemeld bij verweerder. De claimtermijn is twee maanden. Verweerder had daarom uiterlijk op 22 juli 2023 een claimverzoek kunnen indienen, maar dat heeft verweerder eerst op 27 juli 2023 gedaan.
5.1
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2023 volgt dat de loopbrief wordt beschouwd als het bewijs van het indienen van een verzoek om internationale bescherming. Gelet op de datum in de loopbrief staat daarom vast dat eiser op 22 mei 2023 een asielaanvraag heeft ingediend.
5.2
Eisers stelling dat verweerder tot uiterlijk 22 juli 2023 de tijd had om een terugnameverzoek in te dienen volgt de rechtbank niet. In artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat een verzoek tot terugname binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Eurodac-verordening wordt ingediend. Verweerder heeft eiser binnen die termijn geclaimd. De Eurodac-treffer is ontvangen op 31 mei 2023 en verweerder heeft binnen twee maanden, namelijk op 27 juli 2023, het terugnameverzoek verzonden.
5.3
Weliswaar heeft verweerder zich niet aan de in artikel 9, eerste lid, van de Eurodac-verordening genoemde termijn gehouden door niet binnen 72 uur na het moment van indienen van de asielaanvraag de vingerafdrukken van eiser aan het Eurodac-systeem te verzenden, maar de rechtbank leidt uit de Eurodac- en de Dublinverordening niet af dat het niet halen van deze termijn fataal is. Ook als eiser zich mede zou hebben beroepen op deze termijn, leidt het niet halen van die termijn er niet toe dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op de Nederlandse staat.
5.4
De beroepsgrond slaagt niet.
Kan verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat de pushbacks in Kroatië geen aanleiding (meer) vormen om ten aanzien van Dublinclaimanten niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Afdeling zo, dat uit de informatie van Kroatische autoriteiten van 15 november 2022 en de daarop door verweerder opgestelde beslisnota van 21 december 2022 volgt dat overgedragen Dublinclaimanten niet het risico lopen om door Kroatië te worden uitgezet zonder behandeling van hun asielverzoek of tijdens de behandeling van het asielverzoek. De Afdeling heeft daarbij ook van belang geacht dat deze informatie niet wordt weersproken door andere beschikbare landeninformatie. Daarom komt de Afdeling tot de conclusie dat verweerder zich op basis van de bevindingen uit het door hem verrichte onderzoek terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor Kroatië mag worden uit gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6.1
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken. De uitspraken waar eiser naar verwijst dateren van voor de meest recente uitspraak van de Afdeling en binden de rechtbank niet. De Afdeling heeft zich nog niet uitgelaten over het AIDA-rapport waarop eiser zich beroept. Hoewel dat rapport nog altijd melding maakt van pushbacks die in Kroatië plaatsvinden, heeft de rechtbank in het rapport geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat, anders dan de Kroatische autoriteiten hebben vermeld, Dublinclaimanten ook het risico lopen om hier slachtoffer van te worden. Dat AIDA-rapport is dus niet in strijd met het oordeel van de Afdeling dat er geen aanknopingspunten zijn dat Dublinclaimanten niet worden opgenomen in de asielprocedure. Ook bevat dit rapport geen aanknopingspunten dat er anderszins sprake is van fundamentele systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen. Dit betekent dat verweerder onder verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit heeft kunnen gaan dat Kroatië in zijn algemeenheid ten aanzien van Dublinclaimanten zijn internationale verplichtingen nog altijd nakomt.
Was er aanleiding voor verweerder om de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen?
7. Eiser voert aan dat hij onmenselijk is behandeld door de autoriteiten in Kroatië. Hij vreest dat dit opnieuw zal gebeuren bij terugkeer. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 oktober 2023 en van 10 november 2023.
7.1
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in het aanmeldgehoor Dublin het volgende verklaard:
“Hebt u opvang gehad in Kroatië?
Nee, we werden eerst meegenomen door de politie. We waren met meer dan twintig mensen in een kleine kamer. We moesten onze vingerafdrukken afgeven. Ze hebben ons naar de bossen meegenomen en ze zeiden dat we weg moesten.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen behandeling. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Voorlopige voorziening
9. Omdat de rechtbank heeft beslist op het beroep, is het niet meer nodig om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Proceskosten
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiser een beroep- en een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 september 2023;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Vaalburg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover dat het beroep betreft, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) 604/2013.
ECLI:NL:RVS:2023:1583.
ECLI:NL:RVS:2023:3569.
Verordening (EU) 603/2013.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Kenmerk 4392657, bij de brief aan de Tweede Kamer van 20 januari 2023.