Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:19416
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,511 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27222
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Verbaas).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 23 augustus 2023 waarbij verweerder aan eiseres heeft medegedeeld dat haar recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), eindigt op 4 september 2023.
1.1.
Op 3 juli 2023 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eiseres op 4 september 2023 te beëindigen. Vervolgens is het bestreden besluit genomen, waartegen het beroep zich richt.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer NL23.27223), op 24 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank zal het beroep van eiseres ongegrond verklaren en overweegt daartoe het volgende.
Bevoegdheid van verweerder, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de voornemenprocedure
4. De rechtbank overweegt dat bij uitspraak van 30 oktober 2023 de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat verweerder bevoegd is de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als de facultatieve groep, waaronder eiseres valt, te beëindigen (hierna: de MK-uitspraak). Ook is in die uitspraak geoordeeld dat de beëindiging niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en dat verweerder kan volstaan met de voornemenprocedure en geen individueel gehoor hoeft af te nemen.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat een deel van eiseres haar beroepsgronden eveneens betrekking hebben op de bevoegdheid van verweerder en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet in wat eiseres naar voren heeft gebracht, geen aanleiding om anders te oordelen dan in de bovengenoemde uitspraak van 30 oktober 2023 en maakt de dragende overwegingen in die uitspraak tot de hare.
4.2.
De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2023:12919) baat haar niet. De rechtbank is bekend met de uitspraak, maar volgt in eiseres haar zaak de lijn die deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 30 oktober 2023 heeft uitgezet. Onder verwijzing naar overweging 6.3 van de MK-uitspraak, volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn geschonden doordat verweerder heeft beslist de groep derdelanders onder de Richtlijn te scharen. Het betoog van eiseres dat verweerder om die reden niet de bevoegdheid zou hebben om de tijdelijke bescherming te beëindigen slaagt niet. Meer in het bijzonder heeft eiseres ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder aan haar een ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel ook om die reden faalt.
4.3.
Voorts volgt de rechtbank, onder verwijzing naar overweging 6.3 van de MK-uitspraak, het standpunt van eiseres niet dat de tijdelijke bescherming met terugwerkende kracht aan haar is ontnomen. Dat betekent dat artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) niet buiten toepassing hoeft te worden gelaten. In hetgeen eiseres in de onderhavige zaak naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.
5. Hetgeen overigens is aangevoerd kan evenmin afdoen aan het besluit de tijdelijke bescherming te beëindigen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van de Richtlijn, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
ECLI:NL:RBDHA:2023:16291.