Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:18214
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,251 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15309
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [datum] ,
van [nationaliteit] nationaliteit,
v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: A.E. Geçer)
Procesverloop
1. In het bestreden besluit van 4 april 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten en dat hij moet terugkeren naar zijn land van herkomst (terugkeerbesluit). De minister heeft dit terugkeerbesluit genomen omdat de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 volgens de minister van rechtswege eindigt na 4 maart 2024.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 april 2024 is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat de verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
Standpunten van partijen
2. Eiser voert, onder verwijzing naar artikel 6 van Richtlijn 2008/115/EG en ECLI:EU:C:2024:1038, aan dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. Eiser stelt verder dat het beëindigen van het recht op tijdelijke bescherming in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Volgens eiser is er in ieder geval sprake van een impliciete toezegging doordat beide groepen jarenlang gelijk zijn behandeld met gelijke rechten en plichten. Eiser stelt verder dat het verschillend behandelen van groepen geen verplichting is en dat de minister daarom een belangenafweging had moeten maken in het kader van de evenredigheid.
3. De minister stelt zich op het standpunt dat aan de voorwaarden is voldaan om een terugkeerbesluit op te leggen. Er wordt geen strijd gezien met het rechtszekerheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel of evenredigheidsbeginsel.
Beëindiging van de tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024
4. Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is reeds gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
4.1.
Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de ABRvS bepaald dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning die vóór
19 juli 2022 ingeschreven waren in de BRP op 4 maart 2024 eindigt.
4.2.
Bij het bestreden besluit is eiser – onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS – bericht dat na 4 maart 2024 van rechtswege zijn recht op tijdelijke bescherming beëindigd mocht worden en dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
4.3.
Bij arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie -kort samengevat- geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is.
4.4.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de ABRvS bevestigd dat de minister bevoegd is om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op een tijdstip gelegen voor de datum waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover in onderhavige procedure anders te oordelen.
4.5.
De ABRvS heeft verder in de uitspraak van 17 januari 2024 de vraag beantwoord of de minister gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Hierbij is overwogen dat, hoewel in de Kamerbrief van 30 maart 2022 geen onderscheid is gemaakt tussen deze groepen, in de Kamerbrief van 18 juli 2022 al is opgenomen dat hij de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne wil beëindigen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om hierover anders te oordelen in het onderhavige geval.
Het terugkeerbesluit
5. Het bestreden besluit (terugkeerbesluit) dateert van 4 april 2024.
5.1.
Omdat uit de hiervoor onder 4 genoemde rechtspraak volgt dat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd, was de minister bevoegd op 4 april 2024 een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
6. Eiser heeft de rechtbank ter zitting verzocht een oordeel te geven over de juridische duiding van de bevriezingsmaatregel. De bevriezingsmaatregel kan naar de mening van eiser namelijk worden beschouwd als een (verlenging van) een impliciete toezegging dat de groep derdelanders uit Oekraïne zonder een permanente verblijfsstatus in Oekraïne op gelijke wijze zouden worden behandeld als de groep voor wie de tijdelijke bescherming wel doorloopt.
6.1.
De rechtbank overweegt dat eisers verblijf in Nederland nadat de tijdelijke bescherming is geëindigd niet het gevolg van de bevriezingsmaatregel is geweest, maar zoals de gemachtigde van de minister op zitting terecht opmerkte, het gevolg is geweest van de voorlopige voorziening die is toegewezen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vraag of de bevriezingsmaatregel als impliciete toezegging kan worden gezien in het geval van eiser niet aan de orde is, zodat dit geen verdere bespreking behoeft. Bovendien is de bevriezingsmaatregel met ingang van 4 september 2025 – en dus nog voor de behandeling van onderhavig beroep op zitting – geëindigd.
Artikel 5 van de Richtlijn 2008/115/EG
7. Eiser voert verder aan dat uit Suwinet blijkt dat hij in Nederland heeft gewerkt en dat evenwel sprake is van privéleven. Eiser doet hiermee een beroep op artikel 5 van Richtlijn 2008/115/EG en artikel 8 van het EVRM.
7.1.
De rechtbank overweegt dat het privéleven niet is opgenomen als één van de belangen in artikel 5 van de Richtlijn, zodat het beroep op dit artikel niet kan slagen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat het hebben van werk in Nederland niet ongebruikelijk is en dat dit beperkte privéleven geen reden is om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris, worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5057
ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Zie ook: de uitspraak van deze zittingsplaats van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16291.