Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-24
ECLI:NL:RBDHA:2023:13041
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,587 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL23.18165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.P. van Empel-Bouman),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatsssecretaris (gemachtigde: mr. N.R. Nobel).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het buiten behandeling stellen van zijn asielaanvraag.
De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 16 juni 2023 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 augustus 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Eiser heeft op 20 januari 2023 een asielaanvraag ingediend. Bij de beoordeling van deze aanvraag is er twijfel ontstaan over de leeftijd van eiser, waardoor aan eiser een leeftijdsonderzoek is aangeboden. Op 23 januari 2023 heeft eiser het formulier model M39- C met het verzoek om een leeftijdsonderzoek ondertekend. In dit formulier staat onder meer dat niet meewerken aan het leeftijdsonderzoek tot gevolg heeft dat de opgegeven leeftijd niet is aangetoond en de meerderjarige leeftijd zal worden aangenomen, tenzij eiser zijn leeftijd op een andere wijze kan aantonen. Vervolgens is gebleken dat eiser op 25 mei 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Dit volgt uit de registratie bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en Nidos. Naar aanleiding van deze registratie is de leeftijd van eiser op 31 mei 2023 aangepast naar 1 januari 2005. De staatssecretaris heeft daarna op 16 juni 2023 de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Eiser is medegedeeld dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en aan eiser is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
2. De gemachtigde van eiser stelt dat eiser in de periode tussen 6 juli tot 10 juli 2023 opnieuw contact heeft gezocht met het COA en ook dat eiser zich op 17 juni 2023 weer heeft gemeld bij het COA. Daarna echter niet meer. Dat neemt volgens de gemachtigde van eiser niet weg dat hij wel contact blijft zoeken en eiser dus wel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Ter zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris desgevraagd gemeld dat eiser sinds 25 mei 2023 met onbekende bestemming is vertrokken en dat eiser zich niet inmiddels weer heeft gemeld.
3. De rechtbank ziet zich, gezien het bovenstaande, allereerst voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 20191 volgt dat indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt, zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit gegaan moet worden dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. De staatssecretaris weet niet waar eiser verblijft, omdat hij sinds 25 mei 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Uit vaste rechtspraak2 volgt dat als eiser met onbekende bestemming is vertrokken, het aan de gemachtigde van eiser is om toe te lichten dat zij nog wel contact heeft (gehad) met eiser. Uit het door de gemachtigde van eiser overgelegde mailbericht van 25 juli 2023 blijkt dat de voogd van eiser op 28 juni 2023 en op 6 juli 2023 contact heeft gehad met eiser. Daarna heeft eiser geen contact meer gehad met zijn voogd. Verder stelt de gemachtigde van eiser in de aanvullende beroepsgronden van 28 juli 2023 dat zij geen contact (meer) heeft met eiser. Gelet op deze omstandigheden en gezien het feit dat eiser en de gemachtigde ook niet ter zitting zijn verschenen, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming en dus geen procesbelang heeft. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
1. ECLI:NL:RVS:2019:579.
2 ECLI:NL:RVS:2014:183.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 augustus 2023
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.