Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-12-17
ECLI:NL:RBDHA:2018:14999
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
744 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.22036
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. A.M.H.C. Verwiel),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Jaber).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.22037, plaatsgevonden op 13 december 2018. Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers is gebleken dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Gemachtigde heeft schriftelijk aangegeven sindsdien geen contact meer met hem te hebben gehad en ook haar brieven aan hem retour te hebben ontvangen.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:183), geeft een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde daarmee te kennen dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aangevraagde bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, hij geen contact meer heeft met zijn gemachtigde en eiser zich ook niet opnieuw heeft aangemeld bij verweerder, concludeert de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op asielrechtelijke bescherming in Nederland. Niet is gebleken dat eiser desondanks nog belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
3. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van belang.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.