Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-31
ECLI:NL:RBDHA:2023:11625
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,430 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrechtzaaknummer: NL22.6008
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden).
Inleiding
1. In het besluit van 22 juli 2021 heeft de staatssecretaris de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 20 februari 2021 en is eiser zijn aanvraag voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning afgewezen. Dit besluit behelst tevens een terugkeerbesluit. In het bestreden besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van eiser hebben zich vooraf afgemeld. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Met ingang van 15 augustus 2020 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Verblijf bij partner, [partner] ’, met een geldigheidsduur tot 15 augustus 2025. Op 9 april 2021 heeft eiser een aanvraag voortgezet verblijf ingediend, na verblijf als gezinslid en een jaar verblijf gehad als minderjarig kind bij ouder(s), en vraagt een verblijfsvergunning voor het doel ‘niet- tijdelijke humanitaire gronden’.
3. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat eiser niet meer aan de voorwaarden voor zijn verblijf voldoet, omdat uit een meldingsformulier van verblijfsgever is gebleken dat de relatie tussen eiser en verblijfsgever is verbroken met ingang van 20 februari 2021. Uit de Basis registratie personen (BRP) blijkt dat eiser vanaf 20 mei 2021 op een ander adres staat ingeschreven dan zijn verblijfsgever. Op grond van artikel 19 jo. artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken met ingang van 20 februari 2021. Dit is niet in strijd met artikel 13 van Besluit 1/80, dat van toepassing is op eiser.
Ten aanzien van de aanvraag tot wijziging van eisers verblijfsdoel stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser voldoet aan de voorwaarden zoals volgt uit artikel 16 van de Vw 2000, uitgewerkt in artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en paragraaf B8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Eiser heeft immers geen verblijf gehad als minderjarige bij zijn ouder(s) en ook is niet gebleken dat hij aan de andere voorwaarden voldoet voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Er is ook geen sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM. Ook bestaat er geen recht op voortgezet verblijf op grond van artikel 6 en 7 van Besluit 1/80.
Terugwerkende kracht
4. Eiser voert aan dat het verblijfsrecht niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken, omdat niet gesproken kan worden van enig frauduleus handelen. Hij verwijst daarbij naar een arrest van het Hof van Justitie van 29 september 2011. Uit dit arrest volgt dat het verblijfsrecht van een Turkse onderdaan alleen met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken indien de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan enig frauduleus handelen, en dat is hier niet het geval.
4.1.
In het arrest van 29 september 2011 heeft het Hof van Justitie het volgende overwogen:
‘Artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteiten de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer met terugwerkende kracht intrekken tot de datum waarop niet langer werd voldaan aan de nationaalrechtelijke grond voor verlening van zijn vergunning, wanneer genoemde werknemer zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig frauduleus handelen en deze intrekking plaatsvindt na afloop van het tijdvak van een jaar legale arbeid als voorzien in genoemd artikel 6, lid 1, eerste streepje.’
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de beroepsgrond niet. Niet in geschil is dat de intrekking niet heeft plaatsgevonden na afloop van het tijdvak van een jaar legale arbeid als voorzien in artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van het Besluit 1/80. Artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van het Besluit 1/80 en de uitleg daarvan uit voornoemd arrest onder 5.1. is dan ook niet van toepassing. Verder doet het er dan niet toe of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan enig fraudeleus handelen en derhalve slaagt de beroepsgrond niet. De staatssecretaris stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser op 22 juli 2021 geen rechten kon ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje en het arrest Baris Unal is dan ook niet van toepassing.
Bijzondere feiten en omstandigheden
5. Eiser voert verder aan dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij verwijst daarbij naar het feit dat hij sinds 15 augustus 2020 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning en hij van 21 september 2020 tot 25 april 2021 heeft gewerkt bij [bedrijf 1] . In februari 2021 stond eiser als directeur geregistreerd bij [bedrijf 2] . Vanaf 15 mei 2021 is hij gaan werken bij [bedrijf 3] . Dus het grootste gedeelte van zijn verblijf heeft eiser werk gehad en hij doet verder geen beroep op het sociale zekerheidsstelsel van Nederland. Verder zijn er geen antecenten bekend.
5.1.
Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
5.2.
De staatssecretaris stelt zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan van de beleidsregels moet worden afgeweken. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn namelijk al betrokken bij het bestreden besluit. Er bestaat geen aanleiding om in het kader van artikel 4:84 van de Awb tot een andere afweging te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
6. Eiser voert tot slot aan dat de hoorplicht is geschonden, onder verwijzing naar artikel 7:2 van de Awb. Gelet op de bijzondere feiten en omstandigheden in het licht van artikel 4:84 van de Awb moest eiser gehoord worden.
6.1.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022, heeft de Afdeling zich uitgesproken over de manier van het toepassen van de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Ingevolge artikel 7:2 van de Awb heeft de staatssecretaris een wettelijke plicht om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen. Van het horen in bezwaar kan de staatssecretaris vanwege een aantal redenen afzien, welke uitputtend zijn beschreven in artikel 7:3 van de Awb. Ingevolge artikel 7:3, onder b, van de Awb, kan onder andere worden afgezien van de hoorplicht als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste Afdelingsjurisprudentie volgt dat hiervan sprake is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Van kennelijke ongegrondheid kan in een aantal situaties sprake zijn. Bijvoorbeeld in het geval dat de vreemdeling gedurende de bezwaarschriftprocedure van de staatssecretaris de gelegenheid heeft gekregen om zijn stelling schriftelijk nader te onderbouwen en blijkt dat de vreemdeling niet alle stukken heeft overlegd en er nog zaken onduidelijk zijn in het dossier. Het horen is de regel en de uitzonderingsgronden moeten terughoudend worden toegepast.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie ECLI:EU:C:2011:623 (Baris Unal).
ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2564.
ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 4.3.
Uitspraak van de ABRvS van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 4.1.