Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-29
ECLI:NL:RBDHA:2022:12708
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
773 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/857090-19 (ontneming)
Datum uitspraak: 29 november 2022
Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Dictum
[Veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
BRP- [adres] ,
hierna: [Veroordeelde] .
1Het onderzoek ter zitting
De vordering is voor de eerste keer aan de orde geweest op de terechtzitting van 8 oktober 2021. De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 november 2022.
[Veroordeelde] , bijgestaan door haar raadsman mr. P.M. Rombouts, is verschenen en op de vordering gehoord.
2De vordering
2.1.
Standpunt van de officier van justitie
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door [Veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), wordt geschat en dat aan [Veroordeelde] de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 25.006,15.
Ter terechtzitting van 15 november 2022 heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat [Veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
2.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat er geen grondslag bestaat voor de vordering. De raadsman heeft in de onderliggende strafzaak vrijspraak bepleit. Voor het geval de rechtbank anders zou oordelen, heeft de raadsman er op gewezen dat de vordering inconsistent is met de bedragen die ten laste zijn gelegd, omdat in de vordering ook girale geldbedragen zijn betrokken.
Beoordeling
De rechtbank heeft [Veroordeelde] in de onderliggende strafzaak op 29 november 2022 vrijgesproken van het feit waarop de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet. Daarom bestaat er geen grondslag voor de vordering, omdat er alleen geld kan worden ontnomen als er een strafrechtelijke veroordeling is. Het Openbaar Ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ontnemingsvordering (zie: HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. P. Burgers, rechter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.N.D. Snel, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 november 2022.