Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2023:3170
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
3,528 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.24529 (beroep)
NL22.24530 (voorlopige voorziening)
[v nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1986, van Syrische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag van 27 juni 2022 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop gereageerd.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2023. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Achtergrond
1. Eiser heeft op 27 juni 2022 het onderhavige verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit [databank] is gebleken dat eiser op [medio] februari 2022 in Roemenië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
Besluitvorming
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Roemenië op 3 augustus 2022 een verzoek om terugname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek op 9 augustus 2022 aanvaard.
Beroepsgronden eiser
3.1
Eiser kan zich niet met de besluitvorming verenigen en voert daarbij het volgende aan. Ten aanzien van Roemenië kan niet uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat in Roemenië sprake is van pushbacks die een fundamentele systeemfout vormen in de asielprocedure. Door deze systeemfout wordt de drempel van zwaarwegendheid bereikt. Eiser overlegt hiertoe informatie van KlikAktiv en haalt landenrapportages aan. Hieruit blijkt volgens eiser dat de pushbacks niet incidenteel zijn, maar al geruime tijd, op grote schaal en niet alleen aan de grens plaatsvinden. Eiser stelt dat verweerder nader onderzoek moet doen naar de informatie van KlikAktiv. Ook is eiser van mening dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is en verwijst hierbij naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch.
3.2
Vervolgens voert eiser aan dat er niet van kan worden uitgegaan dat Roemenië ten aanzien van eiser zijn verdragsverplichtingen en het refoulementverbod naleeft. Eiser stelt hiertoe dat er een evident en fundamenteel verschil in bescherming van Syrische asielzoekers tussen Nederland en Roemenië is. Dat eisers beroep tegen zijn afgewezen asielaanvraag in Roemenië ongegrond is verklaard, zoals in het claimakkoord staat, is daarvoor een concreet aanknopingspunt. Verweerder heeft erkend dat eiser door Roemenië zal worden uitgezet naar Syrië. Volgens eiser verbieden artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zijn uitzetting naar Syrië.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vanwege de specifieke omstandigheden van dit geval niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering ten aanzien van Roemenië kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.1
Vaststaat dat Roemenië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is daarbij het uitgangspunt en de Roemeense autoriteiten hebben door accepteren van het terugnameverzoek toegezegd de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. Het is aan de vreemdeling om het vermoeden dat de lidstaat niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet aan de hand van objectieve aanknopingspunten te weerleggen. Als de vreemdeling het bestaan van structurele tekortkomingen aannemelijk heeft gemaakt, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te leiden. Op 29 juli 2021 heeft de Afdeling in haar uitspraak geoordeeld dat verweerder ten opzichte van Roemenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dat in haar ongemotiveerde uitspraak van 31 augustus 2022 nog bevestigd.
4.2
Als de vreemdeling onder verwijzing naar objectieve informatie betoogt dat niet meer van het vermoeden uitgegaan kan worden dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, is het aan verweerder om te motiveren waarom hij nog wel van dat vermoeden mag uitgaan. Als verweerder er niet in slaagt om deugdelijk te motiveren dat hij nog altijd van het vermoeden mag uitgaan en dat hij het asielverzoek niet aan zich wil trekken, is hij gehouden nader onderzoek te doen in de aangezochte lidstaat.
Verschil in beschermingsbeleid
5.1
Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat er een evident en fundamenteel verschil in bescherming van Syrische asielzoekers tussen Nederland en Roemenië is, overweegt de rechtbank als volgt. In beginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de lidstaten personen die om internationale bescherming verzoeken op een effectieve en gelijkwaardige manier bescherming bieden aan de in het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM vastgelegde grondrechten. De bewijslast om een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk te maken ligt bij de vreemdeling. Volgens de Afdeling moet de vreemdeling in de eerste plaats algemene informatie overleggen waaruit voldoende concrete aanknopingspunten volgen dat hem in de verantwoordelijke lidstaat op grond van het beschermingsbeleid geen internationale bescherming wordt geboden, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt. Daarnaast moet een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren brengen die erop wijzen dat niet alleen het bestuursorgaan, maar ook de hoogste rechter in de verantwoordelijke lidstaat hem niet zal beschermen tegen refoulement.
5.2
De rechtbank overweegt dat eiser wel voldoende informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat hem in Roemenië geen internationale bescherming wordt geboden, terwijl hij dat in beginsel in Nederland wel krijgt. Eiser heeft namelijk een vertaalde versie van het Roemeense besluit overgelegd waaruit blijkt dat aan hem geen subsidiaire bescherming wordt verleend in verband met de oorlogssituatie in Syrië. In het Nederlandse beleid daarentegen is het algemene uitgangspunt dat vreemdelingen die geen actief aanhanger zijn van het regime bij terugkeer naar Syrië vanuit het buitenland een reëel risico lopen op ernstige schade. Daaruit blijkt dat eiser in Nederland wel internationale bescherming geboden zou worden en in Roemenië niet. Echter, eiser heeft niet aangetoond dat de hoogste Roemeense rechter het in Roemenië geldende beschermingsbeleid niet afkeurt. Eiser heeft gesteld dat zijn beroep tegen het Roemeense besluit bij de Roemeense rechter niet tot vernietiging heeft geleid en dat dit ook blijkt uit het claimakkoord. Uit het dossier blijkt echter niet dat eiser heeft doorgeprocedeerd tot de hoogste Roemeense rechter. Ook heeft eiser geen algemene landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de hoogste Roemeense rechter zich heeft uitgelaten over het Roemeense beschermingsbeleid voor Syriërs en dat niet afkeurt. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de hoogste rechter in Roemenië eiser niet zal beschermen tegen refoulement. De beroepsgrond faalt.
Pushbacks en Dublinclaimanten in Roemenië
6.1
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft overwogen dat ten aanzien van Roemenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden, moet volgens rechtspraak van de Afdeling eerst worden onderzocht of pushbacks een fundamentele systeemfout zijn in de asielprocedure van de betrokken lidstaat in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt.
Conclusie
8. Gelet op wat in rechtsoverweging 6.3 is overwogen, is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
9. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.
Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 ,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL22.24529,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit; en,
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL22.24530,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank / voorzieningenrechter, in alle zaken,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013
tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is
voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van
een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking).
Artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
Rapport van KlikAktiv van december 2021 en de e-mail tussen KlikAktiv en Vluchtelingenwerk van 28 december 2022.
AIDA Roemenië Landenrapport (2021-update) van 31 mei 2022.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1862 en ECLI:NL:RVS:2022:1864.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:1645.
ECLI:NL:RVS:2022:2521.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127, punt 75-77.
Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, overweging 359.
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967.
Uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1862.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042.
ECLI:NL:RVS:2022:1042.
Zie artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.