Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-10-05
ECLI:NL:RBDHA:2022:10064
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,383 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5852
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 oktober 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. M.C.A. Schulpen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigden: mr. M. Mos en mr. L.J. van der Zwart).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 31 mei 2022 om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van A. Kozak, tolk in de Poolse taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Van een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld is onder meer sprake wanneer betrokkene in acute financiële nood verkeert. Volgens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3361) dient daarbij te worden gekeken naar schulden op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten.
3. Verzoekster stelt dat zij op dit moment geen inkomen heeft en afhankelijk is van financiële hulp van haar ouders. Haar aanvragen tot toekenning van uitkeringen per 13 februari 2021 op grond van de Ziektewet en Werkloosheidswet zijn afgewezen. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat de afhandeling van haar bezwaar lang duurt waardoor zij lange tijd in onzekerheid verkeert.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
4.1.
Verzoekster verblijft bij haar ouders, die beiden werken. Niet is gebleken dat er sprake zou zijn een dreigende huisuitzetting of afsluiting van gas- en elektra. Evenmin bestaat de dreiging dat verzoekster niet langer meer verzekerd zou zijn voor de ziektekosten. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken van een acute noodsituatie, zodat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening.
4.2.
De enkele omstandigheid dat volgens verzoekster de bezwaarprocedure (te) lang duurt geeft de voorzieningenrechter geen reden om spoedeisendheid aan te nemen. De mogelijkheid om een verzoek om voorlopige voorziening te doen is volgens vaste jurisprudentie niet bedoeld om de behandeling van de bezwaarprocedure te bespoedigen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op bijvoorbeeld op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3277).
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet juist is en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of de wettelijke bepalingen van de zaak.
5.2.
Ter beoordeling ligt de periode van 31 mei 2022 (datum aanvraag) tot 7 juli 2022 (de datum van het afwijzende besluit). In ieder geval verbleef verzoekster sinds 3 maart 2022 in Polen, naar eigen zeggen, bij haar opa en oma. Op 12 juli 2022 is zij naar Nederland is teruggekomen. Gezien het verblijf in het buitenland in de gehele te beoordelen periode en in de daaraan voorafgaande periode is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond om aan te nemen dat verzoekster aanspraak had op bijstand.
6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat de afwijzing ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.