Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-10-07
ECLI:NL:CRVB:2025:1548
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proces-verbaal
858 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Zitting heeft: E.C.E. Marechal
Griffier: L. van Beelen
Op 7 oktober 2025 zijn ter zitting verschenen: verzoeker en mr. J.A.H. Koning, als vertegenwoordiger van de Svb.
Dictum
1. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
2. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
3. Met een besluit van 28 december 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 mei 2024 (bestreden besluit), heeft de Svb de aanvraag van verzoeker om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) afgewezen. De rechtbank Noord-Holland heeft bij uitspraak van 23 juni 2025, 24/2718, het beroep van verzoeker gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.
4. In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen deze uitspraak gekeerd (procedurenummer 25/1519 PW). Daarna heeft verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.
5. Als hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopig voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang.
6. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen actueel financieel spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe wijst de voorzieningenrechter erop dat ter zitting is gebleken dat verzoeker vanaf september 2025 in het kader van een nieuwe aanvraag voor een AIO een voorschot hierop ontvangt. Dit naast zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet van ongeveer € 1000,- per maand. Daarnaast heeft verzoeker ter zitting erkend dat er geen gevolgen worden verbonden aan het niet betalen van zijn huur aan zijn eigen B.V. en dat er dus geen sprake is van een dreigende uithuiszetting. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Ter zitting is gebleken dat verzoeker het verzoek voornamelijk heeft ingediend omdat de behandeling van zijn hoger beroep mogelijk nog geruime tijd zal gaan duren. De mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen is echter niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Dit is vaste rechtspraak.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzieningenrechter
(getekend) L. van Beelen (getekend) E.C.E. Marechal
Zie artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3361.