Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-06-03
ECLI:NL:RBDHA:2021:6667
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,434 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/7798
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. van Iwaarden).
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Bij besluit van 19 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 12 mei 2021. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1.1.
Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1960 en de Soedanese nationaliteit te hebben.
1.2.
Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend die is afgewezen. In de afwijzende beschikking is aan hem voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.
1.3.
Eiser is bij bericht van 19 mei 2020 in de gelegenheid gesteld om inzicht te geven in zijn identiteit en nationaliteit.
1.4.
Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft vervolgens een advies uitgebracht (hierna: het advies). In het advies is opgenomen dat eiser in staat is om te reizen. Het BMA stelt verder dat het achterwege blijven van de medische behandeling tot een medische noodsituatie zal leiden op korte termijn, maar dat de noodzakelijke medische behandeling in Soedan aanwezig is.
2.1.
Bij het primaire besluit heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.
2.2.
Verweerder heeft het primaire besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd. Volgens verweerder heeft eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met originele documenten aangetoond, waardoor ervan wordt uitgegaan dat de noodzakelijk medische zorg voor eiser toegankelijk is.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 64 van de Vw 2000. Eiser stelt dat zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk zijn, nu die geloofwaardig zijn geacht in zijn asielprocedure. Verweerder mag hier in het bestreden besluit niet van afwijken als er geen aanwijzingen zijn om aan het eerdere standpunt te twijfelen. Hiervoor verwijst eiser naar twee uitspraken van de hoogste bestuursrechter. Ook heeft verweerder het vertrouwensbeginsel geschonden, omdat in de asielbeschikking is gesteld dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Tot slot voert eiser aan dat hij niet via de Soedanese autoriteiten aan documenten kan komen, nu hij voor hen heeft te vrezen. Dit wordt onderbouwd door de uitspraak van de hoogste bestuursrechter waarbij eisers verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen.
4.1.
Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.4.2. Het beleid over de toepassing van deze bepaling is opgenomen in artikel A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Uit paragraaf A3/7.1.5. van de Vc 2000 volgt dat een vreemdeling in beginsel niet aannemelijk kan maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst of het land waarnaar hij kan vertrekken voor hem niet toegankelijk is, als hij zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond met originele documenten.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
Partijen zijn het niet eens zijn over de vraag of verweerder eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet met originele documenten heeft aangetoond en dat er daarom vanuit mag worden gegaan dat de noodzakelijke medische zorg voor eiser toegankelijk is.
5.2.
De rechtbank acht het beleid van verweerder, uitgezet onder 4.2. in deze uitspraak, niet kennelijk onredelijk en volgt de ratio achter dit beleid. In de toelichting op het beleid wordt in dit kader verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, Paposhvili. Uit dit arrest volgt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de medische zorg noodzakelijk en voor hem niet toegankelijk is. Indien de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond via documenten, maakt hij daarmee de beoordeling naar de toegankelijkheid onmogelijk. Immers, inhoudelijke beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid van de in het herkomstland beschikbare zorg voor de vreemdeling is verweven met omstandigheden die zien op de persoon, zoals aanwezige familie, vermogen, of het bestaan van een sociaal netwerk. Ook is voor de vraag of de medische instellingen in het land van herkomst toegang verlenen tot de medische behandeling relevant dat de identiteit en met name nationaliteit bekend is. Nu de gronden voor een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw niet gelegen zijn in vrees voor de autoriteiten en er voor de vreemdeling in beginsel geen beletsel is om zich tot die autoriteiten te wenden, kan van de vreemdeling worden verwacht dat hij documenten overlegt. De rechtbank ziet voor dit oordeel steun in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 10 juni 2020.
5.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet met officiële documenten hoeft aan te tonen, omdat verweerder zijn identiteit en nationaliteit in de asielprocedure geloofwaardig heeft geacht. De eerdere asielprocedure betreft namelijk een andere procedure met een ander toetsingskader dan deze procedure over de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Hierbij wijst de rechtbank er bijvoorbeeld op dat van eiser tijdens de asielprocedure niet gevraagd kon worden om zich tot de Soedanese autoriteiten te wenden voor de betreffende documenten, maar dat dit in het kader van de huidige procedure wel gevraagd kan worden van eiser. Dat eiser, gelet op de toegewezen voorlopige voorziening, wel te vrezen heeft van de Soedanese autoriteiten, volgt de rechtbank niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat op dit moment uitgegaan moet worden van de ongegrondverklaring van eisers beroep in de asielprocedure. Ook de uitspraken van de hoogste bestuursrechter waarnaar eiser verwijst kunnen verder niet tot een ander oordeel leiden, nu deze uitspraken zien op bewaringszaken en niet vergelijkbaar zijn met deze zaak.
5.4.
De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, omdat in de afwijzende asielbeschikking zou staan dat eiser aan de voorwaarden van artikel 64 van de Vw 2000 voldoet. De rechtbank stelt vast dat in de afwijzende asielbeschikking alleen wordt vermeld dat eiser in aanmerking komt voor tijdelijke toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, in afwachting op de beslissing die verweerder nog zou gaan nemen in het kader van de ambtshalve beoordeling van artikel 64 van de Vw 2000. Eiser kon hieraan dus niet het vertrouwen ontlenen dat de ambtshalve beoordeling over artikel 64 van de Vw 2000 positief voor hem zou uitvallen.
5.5.
Eiser heeft verder verzocht de bezwaargronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van bezwaargronden kan de rechtbank echter niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding dat besluit te vernietigen.6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:973) en van 7 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1335).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2254).
ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1352).
Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag van 24 augustus 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:8133).
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1604).