Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2021:16496
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
945 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.5994
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1990] .
2. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Het beroep is op 20 april 2021 ingesteld door eisers gemachtigde. Verweerder heeft de rechtbank op 6 mei 2021 bericht dat eiser op 22 april 2021 met onbekende bestemming is vertrokken.
3. Gemachtigde geeft ter zitting aan dat hij geen contact heeft gehad met eiser en niet weet waar hij zich bevindt, maar dat eiser nog wel procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. De gronden zijn immers alleen gericht tegen het opgelegde inreisverbod van twee jaar.
4. Als een asielzoeker met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, moet worden geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep.1
5. De rechtbank stelt vast dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de behandeling van het door hem ingestelde beroep, nu hij met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde. Dit geldt voor de rechterlijke beoordeling van de rechtmatigheid van het gehele bestreden besluit, zowel daar waar het ziet op de verblijfsrechtelijke aspecten als op het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod.2
6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:183).
2 Zie in dit kader de uitspraken van de ABRvS van 7 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY8227) en van 15 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1612).
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
11 mei 2021
Documentcode: [documentcode]
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.