Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-06-02
ECLI:NL:RBDHA:2021:15805
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,405 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amersfoort
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/9661 en AWB 20/9662
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 2 juni 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1989, van Nigeriaanse, eiseres/verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) van 13 december 2018 tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.
Bij besluit van 5 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Op 15 oktober 2020 is het beroep tegen het besluit van 5 december 2019 gegrond verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (AWB 19/10094) en is dat besluit vernietigd.
Bij besluit van 11 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 20 april 2021 het bestreden besluit ingetrokken en aangeboden de door eiseres gemaakte proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 534 en de betaalde griffiekosten van € 178.
Naar aanleiding hiervan heeft eiseres het beroep en voorlopige voorziening ingetrokken. Eiseres verzoekt verweerder te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank en de voorzieningenrechter doen op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling.
2. De rechtbank en voorzieningenrechter kunnen op het verzoek van de indiener van het beroepschrift het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten als een beroep en/of verzoek wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener is tegemoet gekomen. Dit is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder stelt in de brieven van 20 april 2021 en 7 mei 2021 dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gelet op de samenhang tussen beide zaken als een zaak in de zin van het Bpb moeten worden aangemerkt en dat daarom voor de proceshandelingen in beide zaken gezamenlijk een punt moet worden toegekend. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 april 2014.
4. Verzoekster stelt dat zij aanspraak kan maken op een proceskostenvergoeding voor zowel het beroep als de voorlopige voorziening.
5. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. In de bijlage bij het Besluit is aan het indienen van zowel een beroepschrift als een verzoek om een voorlopige voorziening een punt toegekend.
6. De rechtbank en de voorzieningenrechter volgen verweerder in zijn standpunt dat het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening samenhangende zaken zijn omdat de procedures gelijktijdig zijn opgestart met één formulier en de gronden van het beroep van 3 februari 2021 ook de gronden van het verzoek zijn. Er is dus geen sprake van verschillende proceshandelingen verricht door de gemachtigde van eiseres, maar sprake van identieke werkzaamheden. De voorzieningenrechter hoeft daarom geen afzonderlijk punt toe te kennen voor het verzoek om een voorlopige voorziening.
7. De rechtbank en de voorzieningenrechter stellen de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op 1 x € 534 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 534 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is uitgesproken op 2 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd de de rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak van de rechtbank kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter staat geen rechtsmiddel open.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 24 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1522) r.o. 4.1-4.2.
Idem.