Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-12-15
ECLI:NL:RBDHA:2021:14765
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Proceskostenveroordeling
1,441 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/09571
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[verzoeker]
, [V-Nummer] , geboren op [geboortedatum] 1967, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
De rechtbank heeft op 28 december 2020 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 14 december 2020 (het bestreden besluit).
Op 30 maart 2021 heeft eiser het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder heeft op 14 april 2021 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 29 april 2021 op het verweerschrift gereageerd.
Overwegingen
1. Eiser heeft bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de forfaitaire vergoeding in beroep. De rechtbank sluit het onderzoek en zal uitspraak doen buiten zitting. Het verzoek is gegrond.
2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening en de beroepsprocedure als één zaak moeten worden aangemerkt en daarbij verwezen naar jurisprudentie.
3. Verzoeker heeft bij de intrekking verweerders standpunt over samenhang onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, betwist.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan eiser is tegemoetgekomen. Verweerder heeft erkend dat aan het verzoek is tegemoetgekomen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte wordt forfaitair vastgesteld op € 748,- als kosten van verleende rechtsbijstand.
De rechtbank ziet in hetgeen verweerder heeft aangevoerd geen aanleiding het beroep en het daarmee connexe verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als samenhangend als bedoeld in artikel 3 van het Bpb aan te merken. Een beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening zijn twee verschillende procedures die elk hun eigen wettelijke kader hebben. De artikelen 8:75 van de Awb en 3 van het Bpb bieden niet de mogelijkheid om een beroep- en een verzoekschrift als samenhangend aan te merken. De samenhang in de door verweerder aangehaalde uitspraak kon alleen tot stand komen omdat de rechtbank in eerste aanleg het verzoek om een voorlopige voorziening en het connexe beroep gevoegd op zitting heeft behandeld en partijen zijn bericht dat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Het onderhavige verzoek en het connexe beroep zijn niet op zitting behandeld. De rechtbank is niet gebleken dat beide partijen toestemming hebben gegeven.
De rechtbank is ook overigens van oordeel dat de huidige systematiek, waarin de indiener van wordt gestimuleerd om bij het indienen van een rechtsmiddel via het CIV gebruik te maken van een standaard formulier, niet tot gevolg mag hebben dat de indiener van de combinatie van een verzoekschrift en een beroepschrift in één geschrift – onbedoeld – door die werkwijze geconfronteerd wordt met een lagere proceskostenvergoeding.
Een beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening beroep zijn twee verschillende procedures die elk hun eigen wettelijke kader hebben. De artikelen 8:75 van de Awb en 3 van het Bpb bieden niet de mogelijkheid om een verzoek- en een beroepschrift als samenhangend aan te merken.
Het gaat om twee verschillende procedures met verschillende doelen. Het beroep in deze zaak richt zich immers tegen de intrekking door verweerder van eisers verblijfsvergunning, terwijl hij met het verzoek wil bereiken dat hij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.
5. Van eiser is vanwege een verzoek om vrijstelling geen griffierecht geheven.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, in aanwezigheid van
M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 december 2021
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak, dan kunt u een hogerberoepschrift opsturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 's-Gravenhage. U kunt een hogerberoepschrift opsturen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Coll: M.P.O.
D: B
onder toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, Awb op grond van artikel 8:75a, derde lid, Awb
de voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer AWB 20/09572
ECLI:NL:RVS:2014:1522
ECLI:NL:RBDHA:2020:2779
onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend: 1 punt voor het
beroepschrift x factor 1 x € 748,-
ECLI:NL:RVS:2014:1522, rechtsoverweging 4.2
zie artikel 8:86, eerste lid, van de Awb en artikel 5.3 Procesreglement bestuursrecht
als bedoeld in artikel 8:86, tweede lid, van de Awb
CIV is de afkorting van Centrale Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken
verzoek om vrijstelling van de betaling van het griffierecht