Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-07-16
ECLI:NL:RBDHA:2020:8002
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,534 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/487
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Hadfy Kovacs).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.
Bij besluit van 24 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft vanwege het coronavirus plaatsgevonden via een telefonische verbinding op 25 juni 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser is geen griffierecht verschuldigd.
2. Eiser is geboren op [2002] en is van Eritrese nationaliteit. Aan referent is op 26 oktober 2017 een verblijfsvergunning asiel verleend. Referent heeft ten behoeve van eiser een aanvraag voor een mvv gedaan.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt middels officiële identificerende documenten en geen reden is gegeven voor het ontbreken van een officieel identificerend document. Eiser heeft volgens verweerder niet aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert. Eiser heeft indicatieve documenten overgelegd, maar aan deze kan weinig waarde worden gehecht en deze onderbouwen de identiteit van eiser niet. Weliswaar is de identiteit van de vermeende biologische ouders aangetoond, maar de familierechtelijke relatie met eiser is niet aangetoond. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de pleegsituatie niet aannemelijk is gemaakt.
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet kan beschikken over een identiteitsdocument omdat hij minderjarig is. Ten onrechte is daarom geen bewijsnood aangenomen en geen identificerend interview aangeboden. Met de doopakte, de Soedanese werkvergunning en de documenten over zijn ouders heeft eiser alles wat in zijn macht lag gedaan om zijn identiteit aan te tonen. In asielzaken zijn objectieve bewijsstukken niet vereist om de identiteit en nationaliteit aannemelijk te achten. Met de motivering die verweerder geeft ten aanzien van indicatieve bewijsstukken maakt verweerder het illusoir om de identiteit en nationaliteit aannemelijk te achten. Verweerder ontneemt het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Er moet altijd een individuele beoordeling worden gemaakt. Bovendien had eiser gehoord moeten worden.
5. De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), als de kinderen, ouders, echtgeno(o)te of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. De IND verstaat onder kinderen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, Vw, ook niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen van referent. De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoren en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is.
6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in diverse uitspraken de gedragslijn van verweerder beoordeeld en akkoord bevonden. De hoogste rechter ziet de gedragslijn als volgt. Verweerder betrekt ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten bij de beoordeling of een Eritrese vreemdeling de door hem of haar gestelde identiteit, alsmede de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent, aannemelijk heeft gemaakt. Deze kunnen verweerder aanleiding geven om de vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die de vreemdeling over zijn identiteit heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is. Deze gedragslijn is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in overeenstemming geacht met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508).
7. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat hij als minderjarige niet over een identiteitsdocument kan beschikken en daarom bewijsnood had moeten worden aangenomen. Verweerder dient gelet op bovengenoemde gedragslijn, ongeacht of bewijsnood is aangenomen, onofficiële documenten bij de beoordeling te betrekken. Of ten onrechte geen bewijsnood is aangenomen door verweerder kan daarom in het midden worden gelaten. Officiële identiteitsdocumenten zijn er niet. Verweerder heeft indicatieve documenten betrokken door de Soedanese werkvergunning en de doopakte te beoordelen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank mogen oordelen dat de Soedanese werkvergunning geen substantieel bewijs is van de identiteit van eiser, omdat deze niet is opgemaakt door het land van herkomst en omdat het document niet bedoeld is om de identiteit vast te stellen. Verweerder mocht hierbij in aanmerking nemen dat onduidelijk is welke identificerende gegevens daaraan ten grondslag hebben gelegen. Ook heeft verweerder de bewijskracht van de overgelegde doopakte onvoldoende mogen vinden. Ook dit document kan immers geen bewijs leveren ten aanzien van de identiteit van eiser. Het bevat geen foto en is enkel bedoeld om de doop aan te tonen, niet de identiteit. Verweerder heeft dit in samenhang bezien met het andere document onvoldoende mogen vinden om de identiteit van eiser aannemelijk te achten.
8. Om de identiteit van een minderjarig kind aannemelijk te achten, moet ook de identiteit van de biologische ouders duidelijk zijn. Daarvoor is van belang dat de familieband aannemelijk is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat de familierechtelijke relatie met de gestelde biologische ouders onvoldoende aannemelijk is geworden. Referent heeft kopieën van de identiteitsdocumenten van [A] en [B] overgelegd. Met enkel deze documenten is echter niet vast te stellen dat dit de biologische ouders zijn van eiser omdat dit hieruit niet valt op te maken. Voor het ontbreken van andere documenten is geen toereikende verklaring gegeven. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat er te weinig bewijs is om de familierechtelijke relatie aan te tonen.
9. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek naar de identiteit en familierelatie in dit geval niet geïndiceerd was. Immers, naast dat er geen officiële documenten en substantieel ander bewijs over de identiteit en de familierelatie zijn overgelegd, zijn er ook geen gedetailleerde en overtuigende verklaringen overgelegd over de reden van het ontbreken van deze stukken, hoewel verweerder daar tijdig om heeft verzocht. Nu de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie met zijn gestelde biologische ouders niet is aangetoond, behoeft de pleegsituatie geen bespreking meer.
10. Eiser heeft naar voren gebracht dat het besluit in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het arrest E. tegen Nederland. Uit dit arrest (van het Hof van Justitie van 13 maart 2019, ECLI:EU:2019:192) volgt dat verweerder altijd een individuele beoordeling moet maken en rekening moet houden met alle relevante elementen van het geval en de concrete situatie. De rechtbank is van oordeel dat de situatie zoals aan de orde in het genoemde arrest zich hier niet voordoet, omdat er te weinig informatie is over de identiteit van eiser en de familierelatie. Bovendien is door de Afdeling bepaald (uitspraak van 16 september 2019, ECLI:RVS:2019:3147), zoals door verweerder is aangevoerd, dat de gedragslijn van verweerder in overeenstemming is met de overwegingen van het Hof van Justitie in deze uitspraak. Er is geen reden aangevoerd waarom daar in deze zaak anders over geoordeeld zou moeten worden.
11. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier op 16 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken
griffier rechter
De griffier is niet in staat om deze
uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.