Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-06-25
ECLI:NL:RBDHA:2019:6512
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,758 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 18/8255
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[naam 1], eiseres,
gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.
Op 7 maart 2018 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt.
Op 2 oktober 2018 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Op 1 november 2018 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing.
Bij besluit van 13 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist. Daarbij heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en middels een dwangsombesluit beslist op de ingebrekestelling.
Eiseres heeft op 7 december 2018 en 10 mei 2019 haar beroepsgronden aangevuld.
Verweerder heeft op 21 mei 2019 een verweerschrift en een aanvulling hierop ingediend. Van eiseres zijn op 23 mei 2019 aanvullende stukken binnengekomen. Op zijn beurt heeft verweerder hierop gereageerd.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 mei 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam 2] (referent) en A. Solomon(tolk). Verweerder is, met voorafgaand bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Referent, de gestelde echtgenoot van eiseres, is op 5 september 2017 in het bezit gesteld van een asielvergunning en heeft op 20 oktober 2017 voor eiseres en hun gestelde dochter aanvragen ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) in het kader van nareis.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiseres haar identiteit en haar gestelde huwelijk met referent niet heeft aangetoond. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor nareis als gezinslid van referent.
3. Op wat eiseres hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar mede betrekking heeft op het alsnog genomen bestreden besluit.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de echtgenoot en de minderjarige kinderen van de vreemdeling aan wie een asielvergunning is verstrekt indien deze op het tijdstip van binnenkomst behoorden tot diens gezin en binnen drie maanden is nagereisd.
Volgens C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), voor zover van belang, moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vw zijn identiteit en de gestelde familierelatie aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander officieel en door de autoriteiten afgegeven document dat zijn identiteit aantoont, en, voor zover van toepassing, met een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont. Kan een vreemdeling dit niet, dan dient hij aannemelijk maken dat dit niet aan hem is toe te rekenen.
6. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 mei 2018 blijkt dat verweerder bij zaken zoals deze vanaf half oktober 2017 een vaste gedragslijn hanteert, die is uiteengezet in verweerders brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. Dit aangepaste beoordelingskader is van toepassing op zowel nieuwe als lopende aanvragen. De Afdeling heeft deze gedragslijn in overeenstemming geacht met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. In deze uitspraken heeft de Afdeling ook uitgelegd hoe zij de nieuwe gedragslijn begrijpt:
“Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie aanwezig is”. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019 merkt verweerder onofficiële documenten als substantieel bewijs van de identiteit van de vreemdeling als deze documenten, in samenhang bezien en los van de verklaringen van die vreemdeling, een zodanig sterke bewijskracht hebben dat verweerder met aanvullend onderzoek de in die documenten gestelde bewijskracht kan verifiëren, waarbij hij niet uitsluit dat slechts één onofficieel document de vereiste bewijskracht heeft.
Identiteit eiseres
7. Niet is in geschil dat eiseres geen officiële documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit. Eiseres moet daarom óf met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maken dat zij op dit punt in bewijsnood verkeert, óf substantieel bewijs in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overleggen.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen officiële documenten over haar identiteit kán overleggen. De enkele stelling dat eiseres nooit een paspoort of andere identificerende documenten in bezit heeft gehad, dat zij op het platteland woonde, identificerende documenten daar niet nodig waren en zij nooit een identiteitskaart heeft aangevraagd, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende gevonden. Verweerder heeft in dit verband terecht gewezen op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken van Eritrea van juli 2015 waaruit blijkt dat identiteitskaarten in Eritrea voor allerlei procedures nodig zijn. Ook is de identiteitskaart nodig voor het maken van binnenlandse reizen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt hoe zij zich zonder identiteitskaart in Eritrea heeft kunnen handhaven. Pas in beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij zich met haar schoolpas identificeerde. Deze verklaring strookt echter niet met de verklaring dat zij haar schoolpas al had ingeleverd toen zij nog minderjarig was en evenmin met de verklaring dat identificerende documenten niet nodig waren. Het beroep van eiseres op de algemene ambtsberichten van 2017 en 2018 slaagt niet. Weliswaar blijkt hieruit dat er een achterstand is in de uitgifte van identiteitsdocumenten, maar eiseres heeft zelf verklaard dat zij geen identiteitsdocument nodig had en er daarom geen heeft aangevraagd. De stelling dat zij sinds maart 2018 wél heeft geprobeerd een identiteitsdocument aan te vragen, heeft zij niet nader onderbouwd.
9. Verweerder heeft daarnaast overeenkomstig zijn nieuwe gedragslijn de door eiseres overgelegde onofficiële documenten betrokken in zijn beoordeling. Voor zover eiseres met de kerkelijke huwelijksakte en de doopakte haar identiteit wenst aan te tonen, heeft verweerder terecht overwogen dat niet duidelijk is op basis van welke brondocumenten deze documenten zijn opgesteld. Weliswaar staat op de doopakte de naam van eiseres vermeld, maar hierop ontbreekt een foto. Daarbij komt dat de doopakte door Bureau Documenten is onderzocht en geconcludeerd is dat deze niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. De overgelegde huwelijksakte bevat weliswaar de personalia van eiseres én haar pasfoto, maar is niet afgegeven door de autoriteiten van het land van herkomst. In zijn verweerschrift van 23 mei 2019 heeft verweerder terecht hierover opgemerkt dat de leeftijd van eiseres op die huwelijksakte ontbreekt en dat de geboorteplaats afwijkt van de op de aanvraag genoemde geboorteplaats. Ten aanzien van het overgelegde schoolrapport heeft verweerder terecht aan eiseres tegengeworpen dat de authenticiteit hiervan niet kan worden vastgesteld, omdat het een (slecht) leesbare kopie betreft en voorts dat dit rapport geen pasfoto bevat. Met de overgelegde foto’s van het huwelijk kan eiseres haar identiteit niet aantonen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht overwogen dat deze overgelegde onofficiële documenten niet als substantieel indicatief bewijs voor de identiteit van eiseres kunnen worden aangemerkt.
10.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit,
niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 256,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2019.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2018:1508, ECLI:NL:RVS:2018:1509, ECLI:NL:RVS:2018:1637, ECLI:NL:RVS:2018:1638, ECLI:NL:RVS:2018:1639 en ECLI:NL:RVS:2018:1640
Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354
Richtlijn 2003/86/EG
Neergelegd in Werkinstructie (WI) 2018/20
ECLI:NL:RVS:2019:576
ECLI:EU:C:2019:192