Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2019:6671
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,607 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.3105
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2019
in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M. Rog. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Op 28 maart 2019 is het onderzoek heropend en het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
Verweerder heeft op 11 juni 2019 een verweerschrift ingediend.
Het voortgezette onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.R.D. Leene.
Overwegingen
Eerdere asielprocedure
1. Eiser heeft eerder een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 18 januari 2017 afgewezen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat hij het geloofwaardig acht dat eiser lid is geweest van de oppositiepartij Movement for Democratic Change (MDC) en hiervoor vrijwilligerswerkzaamheden heeft verricht, maar dat het niet plausibel is dat eiser wegens deze werkzaamheden moet vrezen voor de Zimbabwaanse autoriteiten. Dit besluit staat met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 augustus 2018 (zaaknummer 201703913/1/V1) in rechte vast.
Nieuw overgelegde stukken en verklaringen
2.Eiser heeft op 29 augustus 2018 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat de Zimbabwaanse autoriteiten recentelijk nog op zoek naar hem zijn geweest, zodat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor die autoriteiten. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een brief van zijn vader overgelegd. In deze brief verklaart zijn vader dat de autoriteiten tijdens de begrafenis van eisers zus zijn verschenen, in de hoop eiser daar aan te treffen, en na de begrafenis meerdere keren bij eisers vader zijn langs geweest. Om het verband tussen de brief en zijn vader aan te tonen, heeft eiser een kopie van de registratiekaart van zijn vader overgelegd. Het overlijden van zijn zus heeft eiser onderbouwd met haar overlijdensakte. Eiser heeft als nieuwe verklaring naar voren gebracht dat zijn zus in 2008 door militairen uit het Zimbabwaanse leger is verkracht, wat volgens eiser samenhangt met zijn vrijwilligersactiviteiten voor MDC.
3.Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Volgens verweerder is geen sprake van een opvolgende aanvraag waaraan eiser nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
4.Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de brief van zijn vader niet aanmerkt als relevant nieuw element. Deze brief bevat immers een verklaring van een directe getuige die is lastig gevallen als gevolg van de problemen van eiser. Ook past de verklaring voor het overige in eisers asielrelaas. Verweerder mag deze brief niet terzijde schuiven, enkel omdat de brief niet objectief zou zijn. Het automatisch en op voorhand uitsluiten van bewijs is volgens eiser in strijd met het Unierecht. Eiser verwijst in dit kader naar artikel 4, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn, artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn, en artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vw 2000. Daarnaast verwijst eiser naar een viertal arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), te weten het arrest van
18 december 2012 inzake F.N. tegen Zweden, nummer 28774/09, het arrest van 18 november 2014 inzake M.A. tegen Zweden, nummer 52589/13, het arrest van 2 oktober 2012 inzake Singh tegen België, nummer 33210/11, en het arrest van 19 januari 2016 inzake M.D. en M.A. tegen België, nummer 58689/12.
4.1
De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat verweerder (niet-objectief) bewijs categoriaal uitsluit. Uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen blijkt dat verweerder de overgelegde bewijsstukken, waaronder de brief van de vader, inhoudelijk heeft beoordeeld. Het beroep op de arresten van het EHRM kan eiser ook niet baten. Uit deze arresten volgt namelijk dat verweerder nieuwe documenten niet zonder meer terzijde mag schuiven indien deze een asielrelaas onderbouwen. Nog daargelaten dat de eerste drie genoemde arresten niet zien op een herhaalde asielaanvraag, en dus sprake is van een ander toetsingskader, waarbij geen nieuwe elementen hoeven te worden aangevoerd, heeft verweerder in het geval van eiser de nieuwe documenten niet zonder meer ter zijde geschoven. Het betoog faalt.
4.2
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte stelt dat de brief van eisers vader niet alsnog plausibel maakt dat eiser moet vrezen voor de Zimbabwaanse autoriteiten. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de brief niet afkomstig is uit objectieve bron, maar door een familielid is opgesteld, zodat de bewijswaarde van dit document beperkt is en deze brief niet zonder meer tot het oordeel kan leiden dat eiser te vrezen heeft voor de Zimbabwaanse autoriteiten. En meer bewijs is er niet, want met het overgelegde identiteitsbewijs is slechts beoogd te onderbouwen dat eisers vader de opsteller van de brief is. Dit identiteitsbewijs zegt echter niets over de waarde die aan de inhoud van de brief van de vader moet worden toegekend en ook niets over de aannemelijkheid van de door eiser gestelde vrees. Daarom kunnen deze documenten niet als nieuw element worden aangemerkt.
Ook de overgelegde overlijdensakte van de zus van eiser onderbouwt de plausibiliteit van de vrees van eiser niet. Verweerder heeft terecht gesteld dat hieruit alleen kan worden opgemaakt dat de zus van eiser aan longontsteking is overleden en dat een begrafenis heeft plaatsgevonden. Hieruit blijkt niet dat eiser gezocht wordt, dan wel heeft te vrezen voor de autoriteiten. Het betoog faalt.
5.Daarnaast stelt eiser dat zijn zus door militairen uit het Zimbabwaanse leger in 2008 is verkracht, hetgeen samenhangt met eisers vrijwilligersactiviteiten voor MDC. Eiser heeft hierover pas in het aanmeldgehoor opvolgende aanvraag kunnen verklaren, omdat deze gebeurtenis traumatiserend voor hem is geweest. Daarom kan verweerder hem niet tegenwerpen dat hij niet eerder over deze gebeurtenis heeft verklaard, aldus eiser.
5.1
Anders dan eiser stelt, mag verweerder bij de beoordeling van opvolgende aanvragen een verwijtbaarheidstoets hanteren. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van
6 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2718, ligt de verwijtbaarheidstoets besloten in de term ‘nieuw’ in artikel 33, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn, zodat die toets is geïmplementeerd in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Kort samengevat betekent dit dat verweerder aan vreemdelingen mag tegenwerpen dat zij elementen of bevindingen eerder hadden kunnen, en dus moeten inbrengen.
5.2
Gelet hierop heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat eiser heeft nagelaten de verkrachting van zijn zus tijdens zijn vorige asielprocedure te vermelden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom hij dit element niet eerder naar voren kon, en dus moest brengen. Verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij niet eerder kon verklaren door een trauma. Ook heeft verweerder bij zijn conclusie kunnen betrekken dat niet valt in te zien dat eiser acht jaren na de gestelde gebeurtenis in de vorige procedure niet in staat was om over de gebeurtenis te verklaren en nu, elf jaren na de gestelde gebeurtenis, wel. Eiser heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Het betoog faalt.
6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid aanhef en onder d, van de Vw 2000, nu nieuwe elementen en bevindingen ontbreken.
Gnandi
7. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet automatisch heeft opgeschort. Het door verweerder eerder opgelegde terugkeerbesluit herleeft weer door de niet-ontvankelijk verklaring van eisers opvolgende asielaanvraag.
Conclusie
8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, mr. drs. M.S.T. Belt en mr. R. Ortlep, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2019.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.