Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-01-03
ECLI:NL:RBDHA:2019:38
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,463 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.4838
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 januari 2019 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.S.R. Mangroelal).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 23 oktober 2012 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft bij deze aanvraag verklaard uitsluitend de Syrische nationaliteit te hebben, geboren te zijn in de plaats Qamishly te Syrië en aldaar te hebben gewoond tot aan zijn vertrek op 29 juni 2012. Verder heeft eiser verklaard tot 6 september 2012 te hebben verbleven in Turkije en geen verblijf te hebben gehad op grond van een visum. Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft verweerder aan eiser de gevraagde asielvergunning verleend, met ingang van 23 oktober 2012.
2. Blijkens een visum-onderzoek in Vision is op 24 augustus 2012 aan eiser een Italiaans visum verstrekt in een Armeens paspoort. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 13 december 2016 het voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de asielvergunning, alsmede een voornemen om een inreisverbod op te leggen. Op 7 april 2017 heeft eiser hierop zijn zienswijze gegeven. Eiser is voorafgaand aan het bestreden besluit gehoord.
3. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning asiel ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op grond van deze bepaling kan deze vergunning worden ingetrokken, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid.
4. De rechtbank stelt vast dat ter zitting naar voren is gekomen dat eiser momenteel samen met zijn echtgenote in Duitsland verblijft, waar hij in het bezit is gesteld van een verblijfsdocument als partner van een burger van de Europese Unie, geldig van 1 juli 2018 tot 30 mei 2023. De rechtbank is van oordeel dat eiser ondanks dit verblijfsdocument belang houdt bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit, aangezien het verblijfsdocument een afgeleid verblijfsrecht geeft en geen zelfstandig verblijfsrecht.
Intrekkingsgrond onjuiste/achtergehouden gegevens
5.1
Eiser voert aan dat verweerder in strijd met artikel 42, derde lid, van de Vw onvoldoende is ingegaan op hetgeen hij in de zienswijze en tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft volgens eiser niet deugdelijk gemotiveerd dat hij onjuiste gegevens zou hebben verstrekt. Hooguit is informatie achtergehouden, maar dat kan eiser niet worden aangerekend omdat hij zelf ook geen weet had van die achtergehouden informatie. Eiser voert aan dat zijn reisagent het toeristenvisum en het Armeense paspoort op illegale wijze heeft verkregen. Eiser doet een beroep op landeninformatie om onder meer de onbetrouwbaarheid van het visumsysteem en corruptie binnen Armenië te onderbouwen. Verweerder kan dan ook niet afgaan op de informatie uit Vision en dat de verplichtingen op grond van de Visumcode zijn nagekomen. Overigens is er geen bewijs dat er een Armeens paspoort is, nu verweerder enkel een paspoortnummer heeft. Ook indien er een Armeens paspoort zou zijn, betwist eiser de Armeense nationaliteit te hebben. Indien eiser toch de Armeense nationaliteit zou hebben, heeft hij hier in ieder geval geen weet van gehad. De zorgvuldigheidsnormen ten aanzien van de bewijslast en het bewijsrisico van verweerder worden bij dit belastende besluit niet gehaald. Eiser wijst erop dat bij een Unierechtelijke uitleg verwijtbaarheid bij het achterhouden van gegevens vereist is voordat tot intrekking kan worden overgegaan.
5.2
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 19 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3482) volgt dat, indien verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt, omdat zich de grond bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 voordoet, het op zijn weg ligt aannemelijk te maken dat daarvan sprake is. Als verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de verweerder geleverde bewijs te weerleggen.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de verwijzing naar de registratie in Vision en de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte informatie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser bewust gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de asielaanvraag zouden hebben geleid. Verweerder heeft voorbij mogen gaan aan eisers verweer dat hij geen weet had van een Armeens paspoort op zijn naam. Onder verwijzing naar ambtsberichten Armenië van het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft verweerder tegengeworpen dat een Armeens paspoort persoonlijk dient te worden aangevraagd en ter plaatse dient te worden ondertekend. Verweerder gaat er naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht vanuit dat het Armeense paspoort door eiser zelf is aangevraagd en afgehaald. Nu verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan zijn bewijslast heeft voldaan, is het aan eiser het bewijs te weerleggen. Eisers stelling dat het er alle schijn van heeft dat de illegale handel in paspoorten in Syrië omvangrijk is en dat uit het ambtsbericht van 2016 blijkt dat corruptie een groot probleem is in Armenië, is hiervoor onvoldoende.
6. Anders dan eiser subsidiair aanvoert, heeft verweerder terecht en voldoende gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiser in Armenië heeft te vrezen voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Met de door eiser in beroep aangehaalde landeninformatie waaruit volgt dat Syrisch-Armeense vluchtelingen in Armenië in moeilijke economische omstandigheden verkeren, heeft eiser dit evenmin aannemelijk gemaakt.
Artikel 8 van het EVRM
7.1
Eiser voert aan dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de weigering van een reguliere verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zijn recht op bescherming van het privéleven en gezinsleven met zijn echtgenote. Eiser is op [datum] 2018 getrouwd met een Nederlandse werkende vrouw, met wie hij sinds 2014 een relatie heeft. Hij is aan het inburgeren en verblijft al meer dan vijf jaar in Nederland. De binding met Armenië is veel zwakker dan zijn binding met Nederland.
7.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. Uit de voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat verweerder eisers verblijfsvergunning terecht met terugwerkende kracht heeft ingetrokken. Eiser wordt daardoor geacht nooit in het bezit te zijn geweest van een vergunning die hem in staat stelde tot het uitoefenen van privé- en gezinsleven. Dat eiser privé- en gezinsleven is aangegaan tijdens een verblijf waarvan hij wist dat dit onrechtmatig was wegens het verstrekken van onjuiste gegevens, heeft verweerder sterk in het nadeel van eiser mogen laten meewegen. De subjectieve belemmeringen die eiser en zijn echtgenote zullen ervaren indien eiser alleen dan wel samen met zijn echtgenote naar Armenië vertrekt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte minder zwaar meegewogen en niet aangemerkt als uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan eisers intrekking desalniettemin in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
8.1
Eiser voert onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377) aan dat verweerder ten onrechte en niet deugdelijk gemotiveerd heeft afgezien van een zelfstandige vertrektermijn. Verweerder was dan ook niet gehouden een inreisverbod op te leggen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
3 januari 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.