Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-05-04
ECLI:NL:RBDHA:2017:4940
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,556 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 16/17421
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 mei 2017 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
gemachtigde: mr. J. de Jong,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. D. Berben.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juli 2016 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Aleid, tolk Arabisch. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Bij tussenuitspraak van 11 november 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
In reactie op de tussenuitspraak heeft verweerder op 2 maart 2017 een aanvullend besluit genomen.
Eiseres heeft hierop bij brief van 16 maart 2017 een schriftelijke zienswijze kenbaar gemaakt.
Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek op 3 april 2017 gesloten.
Overwegingen
In de tussenuitspraak van 11 november 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres onjuiste informatie heeft verstrekt dan wel informatie heeft achtergehouden over haar nationaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er gerede twijfel over de vraag of eiseres al dan niet de Armeense nationaliteit bezit. Om dit gebrek te herstellen, diende verweerder contact op te (laten) nemen met de Armeense autoriteiten, om te verifiëren of eiseres in het bezit is van de Armeense nationaliteit. Op de kopie van het visumaanvraagformulier van de Spaanse autoriteiten is immers een paspoortnummer vermeld, zodat het voor verweerder relatief eenvoudig zou moeten zijn om bij de Armeense autoriteiten na te gaan of dit paspoort authentiek is en inderdaad aan eiseres is verstrekt.
Bij brief van 17 januari 2017 heeft verweerder een verklaring van de Armeense autoriteiten van 9 januari 2017 overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat eiseres niet in het bezit is van de Armeense nationaliteit. Wel is zij in het bezit van een ‘RA special residence passport’, verleend op 8 december 2009.
In reactie op deze verklaring van de Armeense autoriteiten, heeft eiseres bij brief van 31 januari 2017 het volgende aangevoerd. In 2008 of 2009 heeft eiseres bij de Armeense kerk in haar woonplaats in Syrië haar persoonlijke gegevens achtergelaten, om in aanmerking te komen voor een vrijstellingsregeling waarmee zij zonder visum naar Armenië zou kunnen reizen. Hier heeft zij daarna niets meer van vernomen en is er dus ook niet van op de hoogte dat het ‘RA special residence passport’ aan haar zou zijn afgegeven.
In het aanvullend besluit van 2 maart 2017 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet langer wordt tegengeworpen dat zij de Armeense nationaliteit bezit. De verklaring van de Armeense autoriteiten van 9 januari 2017 leidt echter nog steeds tot de conclusie dat eiseres gegevens heeft achtergehouden. Uit openbare informatie van de Armeense autoriteiten blijkt dat eiseres middels het bezit van een ‘RA special residence passport’ een zeer sterk en duurzaam verblijfsrecht heeft in Armenië en tevens beschermd is tegen refoulement. Primair meent verweerder dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiseres eerder in Armenië heeft verbleven. Daarbij wordt opgemerkt dat eisers nog immer haar Syrische dan wel Armeense paspoort niet heeft overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld of zij eerder in Armenië heeft verbleven en reeds daarom een sterke band met dit land heeft. Subsidiair meent verweerder dat reeds vanwege de speciale verblijfsstatus van eiseres in Armenië uitgegaan kan worden van banden met Armenië. Voorts is uit de verklaringen van eiseres niet gebleken dat zij niet in staat is om naar Armenië te reizen en zich daar te vestigen. Ook is niet gebleken dat Armenië voor eiseres geen veilig land is. Verweerder concludeert dan ook dat eiseres ten tijde van haar oorspronkelijke asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt dat wel achtergehouden en dat het hierbij gaat om gegevens die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Met betrekking tot de onder 3 weergegeven verklaring van eiseres, overweegt verweerder dat in het licht van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet van belang is dat een vreemdeling op de hoogte was van de betreffende gegevens. Het uitgangspunt is dat er rechtsherstel plaatsvindt op basis van de gegevens zoals deze inmiddels bekend zijn geworden. Bovendien volgt verweerder de verklaring niet, nu van haar verwacht mocht worden dat zij dit eerder naar voren zou brengen en nu de door eiseres geschetste gang van zaken niet te rijmen is met de manier waarop het document blijkens informatie van de Armeense autoriteiten dient te worden aangevraagd. Nu bovendien met het paspoort op 24 februari 2011 een visum is aangevraagd bij de Spaanse autoriteiten te Moskou, is aannemelijk dat eiseres zelfstandig gebruik heeft gemaakt van het paspoort en dus op de hoogte was van het bestaan ervan.
In de zienswijze van 16 maart 2017 voert eiseres aan dat zij met klem blijft bij haar onder 3 weergegeven verklaring. Het kan wel degelijk op deze manier gegaan zijn. De aanvraag behelst een ingevuld formulier met een kopie van het paspoort, het geboortecertificaat en een aantal pasfoto’s. Eiseres is analfabete, dus dit kan wel degelijk door de kerk voor haar zijn geregeld. Haar mag niet aangerekend worden dat ze dit heeft verzwegen, nu zij nooit meer iets over deze aanvraag had gehoord en deze informatie daarom, jaren later, niet relevant was voor haar asielaanvraag in Nederland. Verder betoogt eiseres dat het aan verweerder is om documentatie over te leggen waaruit blijkt dat het paspoort ook daadwerkelijk aan eiseres overhandigd is door de Armeense autoriteiten of dat het door haar gebruikt is. Voorts stelt eiseres dat het mogelijk is dat er op basis van haar gegevens een document is opgemaakt, maar dat het in handen van een derde is gekomen die er misbruik van heeft gemaakt. Tot slot stelt eiseres dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op wat zij heeft gesteld over haar recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 19 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3482, volgt dat indien verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt, omdat zich de grond bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw voordoet, het op zijn weg ligt aannemelijk te maken dat daarvan sprake is. Als verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de onder 4 weergegeven aanvullende motivering aan zijn bewijslast voldaan en daarmee het gebrek in het bestreden besluit hersteld. Wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, is onvoldoende om dat bewijs te weerleggen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het niet van belang is of eiseres op de hoogte was van de onjuiste gegevens. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 32 van de Vw (Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 1999/2000, 26 732, no. 7, blz. 25-26) volgt dat de intrekking van een vergunning is gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan de onjuiste gegevens zijn verbonden. Om die reden is dan ook niet vereist dat de vreemdeling de onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van de verstrekking van de onjuiste gegevens, of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet van de vreemdeling of diens persoonlijke betrokkenheid in welke vorm dan ook, is evenmin vereist. Gelet op het voorgaande kan de stelling van eiseres dat het aan verweerder is om aan te tonen dat de Armeense autoriteiten het paspoort daadwerkelijk aan haar hebben verstrekt, geen doel treffen. Van doorslaggevend belang is dat eiseres ten tijde van haar oorspronkelijke asielaanvraag een sterk en duurzaam verblijfsrecht had in Armenië en dat, indien dat destijds bekend was geweest, haar aanvraag zou zijn afgewezen. Dat een derde wellicht misbruik heeft gemaakt van de persoonlijke gegevens van eiseres, is een niet nader onderbouwd vermoeden, zodat ook deze stelling niet tot een ander oordeel kan leiden.
Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM, stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit een uitgebreide belangenafweging heeft gemaakt en heeft geconcludeerd dat er geen verplichting bestaat om eiseres op grond van artikel 8 van het EVRM in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2017.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden aan partijen op: