Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2018:5514
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
1,549 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.6402
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. V.A.W.M. 't Hoen).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Arabi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] in Sudan, de Eritrese nationaliteit te bezitten, en te behoren tot de bevolkingsgroep Saho. Eiser is op 27 juli 2016 Italië ingereisd. Op 24 januari 2018 heeft verweerder in Rome, Italië een relocatiegehoor gehouden met eiser, waarna eiser op 29 januari 2018 Nederland is ingereisd. Op 15 februari 2018 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn Eritrese ouders in 1977 naar Sudan zijn vertrokken en dat hij als Eritrese vluchteling in een vluchtelingenkamp in Sudan is geboren en getogen en nooit in Eritrea heeft gewoond. Eiser kan niet terugkeren naar Eritrea omdat hij dan de dienstplicht moet vervullen.
3. Verweerder heeft eisers gestelde identiteit, Eritrese nationaliteit, herkomst en etniciteit niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft hieraan ten eerste ten grondslag gelegd dat eiser geen originele identificerende documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit, wat voor zijn rekening en risico komt. Niet gebleken is dat eiser enige moeite heeft gedaan om zijn aanvraag met dergelijke documenten te staven en van een onmogelijkheid daartoe is volgens verweerder niet gebleken. Verder heeft hij hierover zeer vage en summiere verklaringen afgelegd. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4. Op wat eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft daarbij terecht gesteld dat het niet verschoonbaar is dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met documenten kan aantonen. Immers, uit ambtsberichten inzake Eritrea blijkt dat Eritrese identiteitskaarten vanuit het buitenland bij de Eritrese ambassade kunnen worden aangevraagd. Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser niet getracht heeft na het gestelde verlies van zijn vluchtelingenpas aan nieuw bewijs te komen. Daar komt bij dat eiser al sinds juli 2016 in Europa verblijft. Van hem had dan ook verwacht mogen worden dat hij gedurende deze periode enige moeite had gedaan om aan documenten te komen, wat hij heeft nagelaten. De door eiser overgelegde kopieën van identiteitskaarten van zijn gestelde ouders heeft verweerder onvoldoende kunnen achten, nu deze geen betrekking hebben op eiser. Verder heeft eiser geen enkel document overgelegd dat hij in Soedan zou zijn geboren met de Eritrese nationaliteit, noch van zijn registratie in Sudan als Eritrese burger. Eiser heeft zijn nationaliteit ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt. Met het eerst op 10 april 2018 door eiser overgelegde kopie van een verklaring van 28 maart 2018 van het Commissariaat voor de Vluchtelingen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Sudan, heeft eiser zijn identiteit en nationaliteit niet alsnog aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft ter zitting terecht erop gewezen dat dit document geen foto van eiser bevat, het onduidelijk is hoe de vader van eiser aan deze verklaring is gekomen, en het document niet afkomstig is van de UNHCR, maar van de Sudanese overheid. Ook komen vervalsingen van officiële documenten op grote schaal voor in Sudan en is er een tendens om niet-officiële documenten te vervalsen of illegaal te bemachtigen.
Eisers beroep op artikel 31, zesde lid, van de Vw, om hem ondanks het ontbreken van documenten het voordeel van de twijfel te gunnen, faalt. Eiser heeft immers niet voldaan aan de eerste voorwaarde onder (a) van deze bepaling, te weten dat hij een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven.
6. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder wel degelijk conform Werkinstructie 2014/10 de relevante elementen niet alleen los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang heeft gewogen. Bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling worden door verweerder de elementen identiteit, nationaliteit en herkomst steeds beoordeeld, alvorens wordt overgegaan tot het beoordelen van de verklaringen die zien op het asielrelaas. Bovendien heeft een asielmotief slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraken van 17 april 2012 en van 6 februari 2017. Nu eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, kan een verdere beoordeling van het asielrelaas niet worden verricht. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.
Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen Ambtsbericht Eritrea, 6 februari 2017 en juli 2015
Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen Ambtsbericht Sudan, 20 juni 2017
ECLI:NL:RVS:2012:BW4349 en ECLI:NL:RVS:2017:292