Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-11-15
ECLI:NL:RBDHA:2018:16227
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,019 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 18/8633
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 november 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
gemachtigde: mr. J.J. de Vries,
en
het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COa), verweerder,
gemachtigde: mr. J. Meijer.
Procesverloop
Verweerder heeft verzoekster op 14 november 2018 medegedeeld dat zij de opvang dient te verlaten als gevolg van het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van diezelfde datum (het asielbesluit).
Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat zij de behandeling van haar beroep tegen het asielbesluit in de opvang mag afwachten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist, is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
Bij het asielbesluit is de asielaanvraag van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard omdat zij internationale bescherming geniet in Litouwen. In dit besluit is tevens vermeld dat verzoekster Nederland onmiddellijk dient te verlaten en zich dient te begeven naar het grondgebied van Litouwen. Het instellen van beroep tegen dit besluit schort de rechtsgevolgen daarvan niet op. Indien zij een verzoek om een voorlopige voorziening indient, mag zij de behandeling daarvan wel in Nederland afwachten.
Verzoekster heeft op 14 november 2018 beroep ingesteld (NL18.21607) tegen het asielbesluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL18.21608).
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met het negende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) volgt dat het asielbesluit van rechtswege tot gevolg heeft dat de opvang wordt beëindigd. Op 14 november 2018 heeft verweerder verzoekster uitsluitend mededeling gedaan van de uit het asielbesluit voortvloeiende, van rechtswege ingetreden gevolgen. Met deze mededeling zijn geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. Dit betekent dat de mededeling van verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:925).
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de mededeling van verweerder evenmin een handeling in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa inhoudt. De aanzegging over het verlaten van de opvanglocatie strekt slechts tot uitvoering van de hiervoor genoemde rechtsgevolgen. Zie ook in dit verband de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2018.
De slotsom is dat de rechtbank naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet bevoegd zal zijn om kennis te nemen van het door verzoekster ingestelde beroep. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zich ook onbevoegd dient te verklaren.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De griffier heeft de beslissing op 15 november 2018 om 16:19 uur telefonisch bekend gemaakt aan de gemachtigde van verzoekster en om 16:21 aan de gemachtigde van verweerder.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.