Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:7497
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,265 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/8419 en AWB 24/8364
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , verzoeker,
geboren op [geboortedatum] ,
van Libanese nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers
(gemachtigde: mr. I.A. van der Valk – in ‘t Veen).
Inleiding
1. Verzoeker heeft op 21 september 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier “medische behandeling” ingediend.
2. Bij besluit van 19 april 2024 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker bij brief van 15 mei 2024 bezwaar gemaakt.
3. Bij brief van 15 mei 2024 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat op dinsdag 21 mei 2024 de RVA-verstrekkingen van verzoeker worden beëindigd en dat hij de COa-locatie dient te verlaten. Verzoeker heeft hiertegen bij brief van 14 mei 2024 bezwaar gemaakt.
4. Op 15 mei 2024 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen, inhoudend dat hij de bezwaarprocedure mag afwachten en dat gedurende deze periode recht blijft houden op de RVA-verstrekkingen.
5. De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld verweer te voeren. Op 17 mei 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
6. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
7. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het COa geen bezwaarschriftenprocedure kent. De voorzieningenrechter zal daarom het bezwaarschrift van 15 mei 2024 aanmerken als beroepschrift. Dit beroepschrift is geregistreerd onder kenmerk Awb 24/8364.
8. Gelet op de aard van de zaak en de omstandigheid dat de voorzieningenrechter tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, doet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
9. De voorzieningenrechter overweegt dat de beëindiging van de verstrekkingen in dit geval voortvloeit uit het eerdere terugkeerbesluit van 1 oktober 2021 en de gevolgen die de wet daaraan verbindt. De mededeling van verweerder in zijn brief van 15 mei 2024 is er niet op gericht enig rechtsgevolg tot stand te brengen dat niet al door het terugkeerbesluit in het leven is geroepen. De voorzieningenrechter verwijst ter onderbouwing hiervan naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 mei 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT6656) en 22 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:925). Dat betekent dat de mededeling van 15 mei 2024 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb of een feitelijk handelen in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa. Het beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
10. Overigens volgt uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722) dat behoudens een bijzondere omstandigheid in de zin van een acute medische noodsituatie, die aansluit bij de omstandigheden vermeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, van de Rva 2005 en daarom direct gerelateerd is aan de aan verweerder uitdrukkelijk toegekende bevoegdheid, verweerder niet kan worden gehouden tot het verlenen van opvang in situaties die niet zijn voorzien in de Rva 2005. Weliswaar blijkt uit de overgelegde stukken dat verzoeker suikerziekte en bloedarmoede heeft en afspraken heeft bij de oogarts en de dermatoloog, maar hieruit volgt niet dat sprake is van een acute medische noodsituatie.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.G. Doornbos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
de voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.