Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-04-06
ECLI:NL:RBDHA:2017:3409
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,479 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 16/9462
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 april 2017 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. K.I.M. Bos en A.M. Blom),
en
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
(gemachtigden: R.E. van der Kamp en drs. J.T. Bakker).
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een bedrag van € 223.774,- van eiser teruggevorderd op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet participatiebudget (de Wpb).
Bij besluit van 19 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1 De rechtbank neemt de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.
1.1
Op 14 juli 2015 heeft eiser bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) de verantwoording over de specifieke uitkeringen van 2014, waaronder de uitkering op grond van de Wpb, ingediend door middel van overlegging van de jaarrekening, het jaarverslag, een accountantsverklaring en het verslag van bevindingen zoals bedoeld in artikel 17a, eerste lid, onder a en b, van de Financiële-verhoudingswet (Fvw). Daarbij heeft eiser een “single information en single audit” (sisa)-bijlage overgelegd. In deze sisa-bijlage is vermeld dat het totaal aan lasten Participatiebudget 2014 € 1.219.187,- bedraagt, van welk bedrag de lasten 2014 van educatie bij ROC’s € 284.601,- bedragen.
1.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder op basis van de sisa-bijlage toepassing gegeven aan artikel 4, tweede lid, van de Wpb en het niet bestede deel van de uitkering ten behoeve van de kosten van participatievoorzieningen ten bedrage van € 223.774,- teruggevorderd.
1.3
In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat er in de sisa-bijlage van de jaarrekening 2014 met verantwoordingsinformatie sprake is van een omissie. Eiser heeft een aangepaste verantwoording, voorzien van een accountantsverklaring van 28 juni 2016, overgelegd. Uit deze aangepaste verantwoording blijkt dat de besteding ten laste van het Participatiebudget over 2014 in totaal € 1.503.788,- bedraagt in plaats van € 1.219.187,-. Uitgaande van de gewijzigde verantwoordingsinformatie is eiser van mening dat er geen terugvordering zou hoeven plaatsvinden.
2 In het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat de uiterste termijn van artikel 17a, eerste lid, van de Fvw zich verzet tegen het alsnog meenemen van de in bezwaar overgelegde accountantsverklaring van 28 juni 2016. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2661).
3 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat in de uitspraak van het CRvB van 3 december 2013 alsmede in de uitspraak van het CRvB van 2 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:393) – waarin is bevestigd dat er een hersteltermijn tot 30 september van hetzelfde jaar geldt om fouten en omissies te herstellen – het er om gaat dat met betrekking tot de rechtmatigheid van een bepaald deel van het participatiebudget er door de accountant een onzekerheid is geconstateerd. In dergelijke gevallen mag van een gemeente worden verwacht dat tijdig alsnog benodigde informatie wordt verstrekt. Echter, in het onderhavige geval is er geen sprake van een door de accountant geconstateerde onzekerheid. Pas op het moment van het primaire besluit werd duidelijk dat er sprake moest zijn een fout. Op basis van de goedgekeurde verklaring van de accountant was eiser in de veronderstelling dat er een sluitende verantwoording was aangeleverd. Nu eiser niet hoefde te verwachten dat er een correctie op de verantwoording gemaakt zou moeten worden en deze correctie derhalve pas na het primaire besluit kon maken, had het op de weg van verweerder gelegen om de gecorrigeerde gegevens in de bezwaarprocedure te betrekken.
4 De Wpb is met ingang van 1 januari 2009 in werking getreden. Het participatiebudget bundelt, kort gezegd, de gemeentelijke middelen voor re-integratie, inburgering en volwasseneneducatie, waaronder het zogenoemde werkdeel van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Het gedeelte van het participatiebudget dat voordien onder de verantwoordelijkheid viel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, betreft geoormerkte educatiegelden.
4.1
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wpb verstrekt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan het college een uitkering ten behoeve van de kosten van participatievoorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten, voor de doelgroep alsmede voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
4.2
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wpb legt het college verantwoording af aan de Minister van SZW over de uitvoering van deze wet, op de wijze bedoeld in artikel 17a van de Fvw. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de Minister van SZW teruggevorderd, indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Fvw, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2, niet volledig of onrechtmatig is besteed.
4.3
Artikel 5a van de Wpb bepaalt dat in afwijking van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de toepassing van de artikelen 2, en 4, tweede lid, gebruik wordt gemaakt van de gegevens, bedoeld in artikel 5, tweede lid, en de informatie, bedoeld in artikel 6, onderdeel a, waarvan de Minister van SZW kennis heeft kunnen nemen op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van de Minister van SZW op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
4.4
Ingevolge artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Fvw zendt het college de informatie ten behoeve van de verantwoording over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Minister van BZK in de vorm van een jaarrekening en het jaarverslag bedoeld in artikel 198, eerste lid, van de Gemeentewet en de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet.
5 Uit de parlementaire geschiedenis bij het wetsvoorstel tot Wijziging van enkele wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Verzamelwet SZW 2011, Kamerstukken II 2010/2011, 32 520, is op te maken dat bij de derde nota van wijziging (Kamerstukken II 2010/2011, 32 520, nr. 10) is voorgesteld artikel 5a, waarvan de tekst is geciteerd onder 4.8, in de Wpb op te nemen. Deze wijziging is op de bladzijden 7 tot en met 9 van genoemde nota van wijziging, voor zover hier van belang, als volgt toegelicht:
“De systematiek van sisa houdt onder meer in dat de gemeente haar jaarrekening, met inbegrip van de sisa-bijlage, de accountantsverklaring en het rapport van bevindingen vóór 15 juli volgend op het verantwoordingsjaar indient bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister van BZK).
(…)
De sisa-verantwoordingssystematiek veronderstelt dat de gemeente de vereiste zorgvuldigheid betracht. Dit betekent dat de gemeente haar verantwoordingsinformatie voor indiening ervan bij de minister van BZK op juistheid controleert. De sisa-systematiek voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente een nadien onderkende fout corrigeert. Omdat een correctie door één gemeente, zoals hierna nader zal worden toegelicht, consequenties heeft voor het totale proces van budgetverdeling, is het voor het SZW-domein noodzakelijk helder te markeren wanneer correcties nog wel en wanneer die niet meer in het proces van budgetvaststellingen betrokken kunnen worden.
(…)
In de praktijk komt het voor dat gemeenten, die hun jaarverantwoording tijdig hebben ingediend, eerst geruime tijd na 15 juli of zelfs na ontvangst van de vaststellingsbeschikking en/of terugvorderingsbeschikking onvolkomenheden ontdekken in hun jaarrekening en op grond daarvan tot correctie overgaan. Een dergelijke correctie kan gevolgen hebben voor het relatieve aandeel dat die gemeente in het macrobudget heeft, én voor het daarop gebaseerde budget voor die gemeente. Daarmee is een dergelijke correctie tevens van invloed op de relatieve aandelen en dus ook op de feitelijke budgetten van alle andere gemeenten. Correctie door een individuele gemeente op een zo laat tijdstip heeft enkele onwenselijke gevolgen, die via deze wetswijziging worden voorkomen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M Meijers, voorzitter, mr G.P. Kleijn en mr. M. Dam, leden, in aanwezigheid van mr. N. Siderius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2017.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.